Jos

De zondagochtend is er voor wie die de stad voor zichzelf hebben wil. Zwijgende gevels, verlaten straten. Ook het weer respecteert de zondagsrust: het is windstil en mistig. De bomen van het Frederik Hendrikplantsoen zijn teruggebracht tot abstracte vegen. Mist. Het stemt tot nadenken, tot naar binnen- of achteromkijken, zo je wilt. Doordat je weinig vóór je ziet, is de meest voor de hand liggende verklaring. Ik denk aan de ochtenden dat ik rond deze tijd zelf nog in bed lag, de soms al schemerende nachten dat ik ernaar op weg was, en de vogels die dan kwetterden in het plantsoen. Druk en opgewonden, alsof het voor hen ook een uitgaansnacht betrof. Het was jarenlang het geluid waarmee ik thuiskwam en heel soms is er nog zo’n nacht van uit- en door het plantsoen naar huis gaan, maar gekwetter hoor ik niet meer. Niet het minste vogelgeluid. Nu ook niet trouwens. Een raadsel dat ook tot nadenken stemt, al is het niet lang, want wat moet je ervan denken? Mijn blik dwaalt af naar de panden aan de rand van het plantsoen, waar op nummer 49 een man het balkon opkomt, zijn gewrichten roestig van tachtig jaar mistige dagen als deze. “Hé Jos, hoe is het?” De bovenbuurman, vanaf zijn balkon. Jos denkt dat de stem van beneden komt en buigt zich over de reling: niemand. Ook niet als hij dieper buigt. Als hij tenslotte naar boven kijkt, is de buurman alweer verdwenen. Jos doet hetzelfde, zijn lichaam van opzij een vraagteken.

Koffie

Amsterdam druk? Niet op zondagochtend. De grachten zijn vrijwel verlaten. Koerende duiven, ruisende bladeren, verstild zonlicht. Tien uur: na een lange nacht ontwaakt de stad langzaam. Ook de klanten van ’t Smalle zijn nog niet helemaal wakker. Op het bankje naast de deur zit een hoogbejaarde met een enorme zonneklep over haar krant gebogen – de rozenstruiken boven haar hoofd al bijna uitgebloeid. Op het houten terras in de gracht een handvol anderen, zwijgend aan de koffie. Het geluid van kop en schotel is het enige dat je hoort. Totdat een opvallend stel aanschuift. Druk pratend, rokend. Tabaksgeur van het Midden-Oosten. Israëli’s, aan de gutturale keelklanken te horen. Hij bestelt een glas bier, zij na lang twijfelen een cappuccino. Als de serveerster terugkomt met de bestelling, vraagt hij wijzend op de kaart om Dutch breakfast. Twee vingers in de lucht. En of haar cappuccino kan worden ingeruild voor de koffie die bij het ontbijt is inbegrepen. Dat gaat niet, zegt de serveerster: “Ik heb ‘m al ingeschonken.” In plaats van dan? No sir, cappuccino is duurder. “I’ll pay extra for the damn milk!” De serveerster is al op weg naar binnen. Pissig pakt hij het speculaasje van het schoteltje en werpt het de gracht in.

Anne

In de rij voor Anne Frank. Niet voor het museum, maar voor haar standbeeld op het plein bij de Westerkerk. Stadsreiniging spuit de kasseien schoon, een man sleept de schilderijen die hij straks wil verkopen – Montmartrestijl – uit zijn Canta. Zondagochtend. De kramen voor vis en friet zijn dicht, voor Anne is het dringen. Een groep Italianen, Hella Haasse-achtige dames en veel Amerikaanse bejaarden op witte gympen. De meesten van hen komen net iets boven Anne uit, maar die staat op een sokkel van een meter. Eigenlijk is ze opvallend klein en tenger. Een Japans gezin komt uit de richting van de Rozengracht aangelopen. Zoon voorop als een hopman, met de stadsplattegrond in handen. Zijn tweelingzus volgt hem op de voet. Beiden ongeveer Anne’s lengte, als ze niet op die sokkel stond. Ingetogen lachend poseren ze aan weerskanten. Als ze alweer afscheid van haar hebben genomen, filmt de vader door. Van boven tot onder iets filmen dat stilstaat, het heeft iets tegenstrijdigs. Hij is nog bezig als een stel Engelsen zich rond het beeld groepeert. Opgewonden. Alsof ze met Katie Price of een ander model op de foto mogen. Armen rond haar schouders, gejoel. Een van de mannen pakt Anne bij haar bronzen borsten, die in het echt ook nooit zijn volgroeid.

Taxi

Een stel Pakistanen op een snikhete zondag in een afgelegen havengebied. Voor ik me kan afvragen wat ze hier zoeken, word ik aangehouden. “Taxi?” Ik weet niet precies wat ik de man in het bezwete hemd moet antwoorden. “Can you call us a taxi, please?” Ah. Ik leg de situatie uit aan de juffrouw van de centrale. Een taxi voor een stel Pakistanen alstublieft. Adres onbekend. Voor de vuilverbrandingsoven in Westpoort. Ongeveer. Ik stuur iemand, zegt ze. Aan haar stem hoor ik dat ze het niet echt ziet zitten. “Wait here”, gebied ik de Pakistanen en rijd door. Langs opslagtanks voor olie, bergen kolen, rokende ovens. Het asfalt trilt in de avondzon. In het dorre gras staan iele iepen. Bladstil. Zelfs de windmolens snakken naar een zucht. Dit havengebied is stiller dan de natuur. Omdat normaal de herrie overheerst misschien. Een scooter maakt een eind aan de rust. Twee helmloze meisjes laten hun haar los. Een kwartier later dendert een van voorbij op een onverhard stuk. Hondengeblaf in de laadbak, alsof er een heel kennel in zit. Tenslotte alleen nog een stofwolk aan de horizon, waar ook de terminals staan waarvoor de stad miljoenen heeft opgehoest. Of die inmiddels zijn terugverdiend, weet ik niet, maar deze metalen dinosauriërs zijn schitterend en dat mag best wat kosten. Ik rijd er naartoe en ga in het gras langs de kade zitten. In het Noordzeekanaal ligt een tanker. Roerloos, zo lijkt het. Wanneer ik later nog eens kijk, is hij dichterbij gekropen. Ik sluit mijn ogen en vraag me af hoe het met de Pakistanen is.