Jos

De zondagochtend is er voor wie die de stad voor zichzelf hebben wil. Zwijgende gevels, verlaten straten. Ook het weer respecteert de zondagsrust: het is windstil en mistig. De bomen van het Frederik Hendrikplantsoen zijn teruggebracht tot abstracte vegen. Mist. Het stemt tot nadenken, tot naar binnen- of achteromkijken, zo je wilt. Doordat je weinig vóór je ziet, is de meest voor de hand liggende verklaring. Ik denk aan de ochtenden dat ik rond deze tijd zelf nog in bed lag, de soms al schemerende nachten dat ik ernaar op weg was, en de vogels die dan kwetterden in het plantsoen. Druk en opgewonden, alsof het voor hen ook een uitgaansnacht betrof. Het was jarenlang het geluid waarmee ik thuiskwam en heel soms is er nog zo’n nacht van uit- en door het plantsoen naar huis gaan, maar gekwetter hoor ik niet meer. Niet het minste vogelgeluid. Nu ook niet trouwens. Een raadsel dat ook tot nadenken stemt, al is het niet lang, want wat moet je ervan denken? Mijn blik dwaalt af naar de panden aan de rand van het plantsoen, waar op nummer 49 een man het balkon opkomt, zijn gewrichten roestig van tachtig jaar mistige dagen als deze. “Hé Jos, hoe is het?” De bovenbuurman, vanaf zijn balkon. Jos denkt dat de stem van beneden komt en buigt zich over de reling: niemand. Ook niet als hij dieper buigt. Als hij tenslotte naar boven kijkt, is de buurman alweer verdwenen. Jos doet hetzelfde, zijn lichaam van opzij een vraagteken.

Tram

Jaren in de buurt gewoond en eraan voorbijgelopen. Kijkend met de ogen van een toerist, komend van de andere kant van de stad, viel de doorgang onder het Haarlemmermeerstation me wel op. Erachter school een rafelrand met hangars, keten en schuren, omgeven door autowrakken, blote buiken en bankstellen. Een haan kraaide op een roestig bord met de tekst: Aanraken der draden levensgevaarlijk! Waarschuwing voor de bovenleiding van de tram, die halverwege de Oude smitgracht bij de halte stond. Lakhouten carrosserie uit de tijden van De Avonden. De ramen werden gelapt door een man in overall, een spons verdween in een zinken emmer. Op de treeplank keek een conducteur toe die ontsnapt was uit een zwart-wit fotoboek. Scherpe scheiding in haar en pantalon, in de rechterhand een dienstkoffer. Met een Polygoonstem informeerde hij of ik wilde meerijden en een plaatsbewijs bezat. Hij lachte meewarig toen ik een chipkaart tevoorschijn haalde. Toch mocht ik als enige passagier mee met lijn 30, die jankend richting Amstelveen vertrok. Ik heb de Oude smitgracht, die op de stadskaart niet bestaat, daarna vaker bezocht. Het gras woekerde gestaag tussen de rails, alles was bij het oude, maar de conducteur en lijn 30 zag ik niet.

Kous

Ik zie vanuit een ooghoek dat hij tegenover haar gaat zitten. Te dichtbij voor een vreemde, waardoor ik even denk dat ze bij elkaar horen. Ze zouden oma en kleinzoon kunnen zijn wat leeftijd betreft, maar ze verschillen als dag en nacht wat betreft kleding en uiterlijk. Zij koket met gepommadeerd haar, parelsnoer en kokerrok. Hij onfris met zijn wijde blouse, wilde blik en plakhaar. Terwijl de conducteur de tram binnenkomt, die bij de beginhalte van het Amstelstation op hem staat te wachten, schuift de puber nog wat dichterbij totdat zijn knieën die van haar kussen. Hij kijkt haar indringend aan, zij kijkt de andere kant op. Met andere passagiers probeer ik in te schatten of ze hulp nodig heeft, maar ze lijkt niet onder de indruk. “Mooie kousen”, zegt hij dan tegen haar en volgt met zijn hand op tien centimeter de lijn van haar kuit tot haar enkels. Zijn wilde blik roept herinneringen op aan de Vieze man van Kees van Kooten. Als ze niet reageert, staat hij op en springt nog net uit de tram voordat deze vertrekt.

Sonny

Weinig wees erop dat het de avond van Sonny Fortune zou worden. Zoals hij daar zat, met lange tanden aan een bord spaghetti. Dood bier voor de neus, gedachten in de verte. Een afwezigheid die wordt benadrukt door de druk pratende bandleden die de tafel met hem delen. De best geklede saxofonist van het land, die hem heeft overgehaald tot dit optreden, legt een hand op de schouder van zijn legendarische vakbroeder. Tegenzin of fashionably late: de show begint een uur later dan aangekondigd. Al is beginnen misschien niet het juiste woord. Bij Sonny’s openingssolo sputtert zijn sax als een kapotte buitenboordmotor. Sonny tuurt in de hals, houdt het ding op z’n kop, schudt er eens mee, blaast erop en produceert slechts wat schor gereutel. Rustig begint hij het instrument uit en in elkaar te schroeven. Legendes laten zich niet door de tijd opjagen. Begeleid door kwinkslagen van de best geklede saxofonist lijkt het een sketch, met als voorlopige climax Sonny’s aftocht. Zijn in smoking gestoken gastheer volgt in gestrekte draf zonder zijn cool te verliezen. Piano, bas en drums spelen kabbelend door, lijn 26 glijdt voorbij volgens schema. Aan het voor jazz gemaakte weer ligt het niet. Vallende avond en vallende regen:  strepen op de pui, vervormde autolichten. Op een moment dat niemand er nog op rekent, keren ze terug : “I have to make an announcement: this is not my horn. But i will blow on it, because i’m supposed to blow here.” Met geleende sax blaast Sonny vervolgens – longen uit zijn lijf, wangen op springen – de solo van zijn leven.

Bus

De wind schuift plastic bekers door de Van Hallstraat, die met scherven en vuurwerkresten bezaaid is. Purperen tapijt, glinsterend in kil maanlicht. Op de hoek bij de brug wachten drie Surinaamse vrouwen op lijn 21. De jongste leunt tegen het raam van het bushok dat níet gesneuveld is. Glas bleek van nachtvorst, toch heeft ze haar jas niet dichtgeritst. Ze gunt verkleumde passanten het hartverwarmende zicht op haar boezem. Zeg maar rustig voorgevel. Het kettinkje met haar naam – Wonny – ligt er bovenop. De andere vrouwen hebben hun wollen jassen wel dicht tot de kin. Een draagt een muts, de ander een bos grijze krullen. Het zouden Wonny’s moeder en oma kunnen zijn, een oudere tante misschien. Ze praten druk met elkaar, terwijl Wonny verveeld op haar kauwgum kauwt en aan de overkant van de straat een man oversteekt. Blauw trainingsjack, kale kop – uitgezonderd een krans vette slierten. Eigenlijk is het geen oversteken. Hij probeert het, maar zijn pas is de dans van een dronkenlap. Stap voorwaarts, driekwart achterwaarts. Het lijkt een eeuwigheid te duren. Ondertussen ontgaat hem het gebrom op de achtergrond. Vanaf het Frederik Hendriksplantsoen nadert lijn 21. Pas als de koplampen vol op hem gericht zijn, dringt het tot hem door: een ruimteschip. Als een verlamd konijn staart hij in het licht. De chauffeur probeert hem te ontwijken en koerst af op het bushok. Met jankende remmen zet hij de bus stil. Gegil. Onder de wielen ligt een tas van Dirk van den Broek met geplette boodschappen, maar de Surinaams vrouwen zijn ongedeerd. Wonny kauwt op haar kauwgum en schikt haar boobies. De anderen kijken geschrokken rond. De Van Hall is leeg en donker.