Bui

Een stel komt in elkaars armen uit The Movies. Zoals Bob en Susan op de hoes van The Freewheelin’ Bob Dylan. Boven de ingang flikkert een lijst van lampen tegen een donkere lucht, die een tropische bui aankondigt. Druppels, dan een stortbad. Hij steekt een paraplu op en ze lopen de Haarlemmerdijk over, omvat door de regen die hun wereld terugbrengt tot een cilinder. Droog houden ze het desondanks niet. Hun schouders worden nat. Water springt op tegen haar enkels. Als ze niet schuilen zijn ze doorweekt voor de volgende hoek. Harlem is de eerste haven die ze tegenkomen. Ze zijn niet de enigen die hun toevlucht tot het café hebben genomen. Gasten onder de luifel, op de drempel, rond de tafels en de toog. De sfeer is opgetogen. Dat ze het goed hebben binnen, wordt benadrukt door wie buiten afziet. Een riksja die tegen de storm in fiets, gevolgd door een wapperende poncho. Toeval of niet: ze worden ontvangen met I’ve got sunshine on a cloudy day en het lijkt alsof de plek achterin voor hen vrijgehouden is. Wijn en bier komen op tafel, het nat wordt afgeschud. Ze haalt een hand door haar haren en zet het glas aan haar lippen, die net als haar decolleté en haar armen glanzen. Hij kijkt haar na als ze naar het toilet gaat. My girl komt uit de speakers.

Licht

De openingsscène is begonnen in zaal 4 van The Movies als een man, een oude gezien zijn kromme schaduwbeeld, met aplomb binnenkomt, gevolgd door een personeelslid dat hem met een zaklamp bijlicht. Dubbelop, want de oude man heeft net een eigen exemplaar tevoorschijn getrokken. Als hij merkt dat hij gevolgd wordt, draait hij zich om en vraagt: “Wat is het probleem?” “Geen probleem”, zegt het personeelslid, “ik wil u alleen helpen.” Met wapperende handen maakt de oude man duidelijk dat de hulp niet op prijs gesteld wordt. Het personeelslid verlaat de zaal, op zijn beurt pesterig bijgelicht, met een straal die alle kanten uitschiet, door de oude man, die vervolgens staand op de trappen de voorstelling volgt. Als we anderhalf uur later de bioscoop verlaten, moet ik wennen aan de wereld die in de baarmoederlijke zaal niet bestond. Overdag is die overgang het grootst, zeker op een verblindende dag als deze. Zodra mijn ogen het licht kunnen verdragen, wordt de werkelijkheid langzaam weer werkelijk. De Haarlemmerdijk, een mierenhoop: ik zie auto’s, scooters, fietsers en voetgangers door elkaar krioelen. Rechts een vrouw met ananas, links een man die “Doe toch eens normaal!” roept tegen zijn hond.

Ons

In de groentezaak aan de Korte Prinsengracht staat een rij van straat tot toonbank: Familie Labès – al vijftig jaar vers. Vader Toon begon de zaak, die nu door zijn zoons wordt gerund. De broers Labès; een knap, een lelijk. Op een drukke zaterdag als deze bijgestaan door echtgenotes en kinderen. Een joodse vrouw, lichaam als een dorre tak, grijs haar in een knotje, is aan de beurt. Ze wil een onsje cantharellen. “Een onsje cantharellen”, herhaalt de lelijke broer en schuifelt naar de paddenstoelen halverwege de winkel. “Een onsje cantharellen”, herhaalt hij nogmaals als hij terug is. Hij laat het onsje verdwijnen in haar geruite tas op wielen. “En een onsje oesterzwammen…” Hij schuifelt zijn heupen stuk en neuriet ondertussen Edelweiss uit The Sound of music. De joodse vrouw zegt: “Niets voor jou. Zo zoet.” De lelijke Labès haalt zijn schouders op: “Weet je hoe vaak ik ernaar heb moeten luisteren? Me vader heb die hersenbloeding gehad toch en wilde het toen elke dag horen.” Op de toonbank de blocnote waarop Labès de bestellingen noteert. Aan de muur een platenhoes van zijn overleden vader (Hallo, hallo, het groentemannetje van de radio) die zong op bruiloften en partijen. “Moet je weleens huilen als je de muziek hoort?” De lelijke Labès is even stil, slikt: “Nee, alleen als me vrouw meezingt.”

Koffie

Amsterdam druk? Niet op zondagochtend. De grachten zijn vrijwel verlaten. Koerende duiven, ruisende bladeren, verstild zonlicht. Tien uur: na een lange nacht ontwaakt de stad langzaam. Ook de klanten van ’t Smalle zijn nog niet helemaal wakker. Op het bankje naast de deur zit een hoogbejaarde met een enorme zonneklep over haar krant gebogen – de rozenstruiken boven haar hoofd al bijna uitgebloeid. Op het houten terras in de gracht een handvol anderen, zwijgend aan de koffie. Het geluid van kop en schotel is het enige dat je hoort. Totdat een opvallend stel aanschuift. Druk pratend, rokend. Tabaksgeur van het Midden-Oosten. Israëli’s, aan de gutturale keelklanken te horen. Hij bestelt een glas bier, zij na lang twijfelen een cappuccino. Als de serveerster terugkomt met de bestelling, vraagt hij wijzend op de kaart om Dutch breakfast. Twee vingers in de lucht. En of haar cappuccino kan worden ingeruild voor de koffie die bij het ontbijt is inbegrepen. Dat gaat niet, zegt de serveerster: “Ik heb ‘m al ingeschonken.” In plaats van dan? No sir, cappuccino is duurder. “I’ll pay extra for the damn milk!” De serveerster is al op weg naar binnen. Pissig pakt hij het speculaasje van het schoteltje en werpt het de gracht in.

Anne

In de rij voor Anne Frank. Niet voor het museum, maar voor haar standbeeld op het plein bij de Westerkerk. Stadsreiniging spuit de kasseien schoon, een man sleept de schilderijen die hij straks wil verkopen – Montmartrestijl – uit zijn Canta. Zondagochtend. De kramen voor vis en friet zijn dicht, voor Anne is het dringen. Een groep Italianen, Hella Haasse-achtige dames en veel Amerikaanse bejaarden op witte gympen. De meesten van hen komen net iets boven Anne uit, maar die staat op een sokkel van een meter. Eigenlijk is ze opvallend klein en tenger. Een Japans gezin komt uit de richting van de Rozengracht aangelopen. Zoon voorop als een hopman, met de stadsplattegrond in handen. Zijn tweelingzus volgt hem op de voet. Beiden ongeveer Anne’s lengte, als ze niet op die sokkel stond. Ingetogen lachend poseren ze aan weerskanten. Als ze alweer afscheid van haar hebben genomen, filmt de vader door. Van boven tot onder iets filmen dat stilstaat, het heeft iets tegenstrijdigs. Hij is nog bezig als een stel Engelsen zich rond het beeld groepeert. Opgewonden. Alsof ze met Katie Price of een ander model op de foto mogen. Armen rond haar schouders, gejoel. Een van de mannen pakt Anne bij haar bronzen borsten, die in het echt ook nooit zijn volgroeid.

Mutu

Bij de torso van Multatuli staat een vrouw gebogen over haar huurfiets. Man keurend ernaast. Toeristen, van verre aan hun Yellow bike te herkennen. Handig omdat je ze van tevoren kunt ontwijken, maar voor hen is het een brandmerk. Een beetje Amsterdammer heeft de pest aan hondenpoep, duiven en toeristen. Daarom probeer ik af en toe vriendelijk te wezen. Als ze ziet dat ik kijk, maakt ze een handgebaar. Geen perfecte wenk, maar het is duidelijk dat ze wat wil. Ik stap erop af en geef een hand, die zij beduusd beetneemt. Het jonge koppel is Roemeens, aan zijn t-shirt te zien. Het geel van de nationale ploeg: Mutu, nummer 10. Zij een strak hemdje en schouders die vervellen. Huidschilfers worden meegenomen door de straffe wind. Zelfs het bronzen haar van Multatuli waait, alleen in tegengestelde richting. Ze wijst naar haar achterwiel en lacht haar tongpiercing bloot, hij lijkt wat in de gracht te zoeken. Ik ben beducht op een lekke band of ander mankement, maar vind niets. Dan dringt tot me door wat ze bij herhaling in gebroken Engels probeert te zeggen. Licht? Ik knik richting voorwiel. Alle Roemeense clubs heten Dinamo, maar blijkbaar hebben ze nog nooit zo’n ding gezien. Ik druk mijn duim op het palletje en gehoorzaam springt de spoel tegen het wiel, dat ik optil en een zwiep geef. In haar ogen voltrekt zich een wonder en zelfs hij lijkt nu onder de indruk. Alsof het niets is activeer ik ook zijn verlichting. Wat volgt is een uitgebreid handen schudden en een golf dankbetuigingen, waarin ik alleen multumesc herken. De rest klinkt ook vriendelijk. Als er geen eind aan dreigt te komen, maak ik duidelijk dat het laat begint te worden. Ik duw haar nog even op gang en volg tevreden hun aftocht. Twee bruggen verder zwaait mijn Roemeense nog.

Trui

Op de vitrine met uitgestalde gerechten draait een ventilator. Aangenaam koel is het in de rechthoekige ruimte met de witte tegels, vergeleken met buiten. Zweet gutst van de weeromstuit van mijn rug. Ik duw mijn slippers uit om even de koude vloer te voelen, wachtend op de man voor me die moeite heeft met kiezen: viskoekjes met spicy noedels, Toscaanse kalfsgehaktballetjes met couscous, citroen-soya scharrelkip met saffraanbulghur en komkommer… “Doe die maar. Je moet wat toch? Ja, zo is het genoeg. Nee, geen tassie. Ik ga in me eentje de wereld redden, alleen niemand weet het nog. Doe wel een flessie wijn erbij, ja. Me oom zei altijd: elke dag drinken is ook een geregeld leven. Ja toch?” Zelf neem ik ook een flessie erbij en loop door de Westerstraat naar huis toe. De stoepen stromen over van het volk bij de Blaffende vis en het Monumentje. De sfeer: uitgelaten. Bier, eau de transpirer, sigarettenrook, geroezemoes. Aan de overkant daveren techno beats van een Frans balkon. In het kozijn, achter een bak petunia’s, danst een knuffelbeer van een vent – afrokapsel: “I am a deejay! Gimmie a euro!” De zon hangt op de grond en is verblindend. Ik loop bijna tegen een tandeloze Marokkaan op. Noorse trui, blote voeten. Hij staat met de ogen dicht en de knieën gebogen te kreunen alsof hij kakken moet. Het is eindelijk zomer.

Bloot

Hoe zou het zijn met Gümüs (de Turkse kleermaker uit de Pijp, die vanwege politiek geneuzel het land uit moest)? De gedachte komt bij me op als ik bij Küçük in de Jordaan een pak kom laten stomen. In de etalage liggen stapels sokken. Aardewerk schotels, een trouwfoto en een kitschprent van een waterval aan de muur. Küçük komt uit het naaiatelier vanachter het zijden gordijn de winkel binnen. Hij heeft dezelfde milde uitstraling als Gümüs die blijkbaar bij een kleermaker hoort. Snor als een kwast, half brilletje. De klant voor me wil een hemd laten inkorten. Küçük is een man van weinig Nederlandse woorden, maar het minzame knikje van zijn hoofd zegt genoeg: omkleden. Op zich geen punt, ware het niet dat het pashok bezet is. De klant aarzelt even, maar wisselt dan van hemd in de winkel. Küçük neemt hem de maat, haalt een speld van tussen zijn lippen en steekt deze voorzichtig in een vetrol. Net als hij het teken geeft dat hij klaar is, komt er nog iemand binnen. Een verlegen vrouw in een legerjas, ik schat haar achtentwintig. De klant kijkt naar het pashok, dat nog altijd bezet is (ik hoor iemand zachtjes neuriën), en naar Küçük, die de rekening aan het opmaken is. Dan gaat hij voor de vrouw staan en begint, wiegend met zijn heupen, langzaam zijn hemd los te knopen.

Truman

Op weg naar Silver Screen aan de Haarlemmerdijk. Voor films die u nergens anders ziet. Meer een excuus voor een wandeling dan een doel op zich. Soms heb je zin in een frisse neus, en het is er weer voor. Kraakheldere lucht die de longen laat tintelen. Ik adem uit. Ik adem in. Gewoon, maar toch… Een vrouw met een kroon van zilverpapier rookt een sigaret bij de kapper voor de deur. We kijken elkaar aan, een ogenblik, en volgen dan samen de jogger die passeert. Capuchon op het hoofd, handdoek in de nek en in beide handen een fles drank verpakt in cadeaupapier. De vrouw trapt haar peuk uit en haalt haar schouders op. Ik steek over. Alleen met duizenden films. Tot de eigenaar van de zaak toch nog entree maakt door een achterdeur. Hij lijkt op Philip Seymour Hoffman, in de rol van Truman Capote. Prima typecasting voor een verkoper van obscure films. We knikken en mompelen wat ter begroeting. Er komt nog iemand binnen. Ouwe bes, krassende stem: “As it is in heaven, heeft u die?” Truman knikt. “En kunt u hem aanbevelen?” Stilte. Dan volgt toch de bevestiging. Truman houdt zelf niet van tearjerkers, maar leeft zich in. Of wil gewoon verkopen. “Laat eens zien!” Ze zegt het alsof het een tattoo betreft op een intiem plekje. Eerst gaat de hoes keurend door haar handen, dan dringt ze aan op korting. Truman zucht en zwicht tenslotte. “Tasje erbij?” “Wat voor tasjes heeft u?” Truman houdt een exemplaar van zwart, glanzend plastic in de lucht. “Ach dat is nooit weg.” Als hij de film erin wil schuiven, zegt ze: “Laat u maar, gaat zo wel” en vertrekt met de film en het tasje dat nog opgevouwen is.