Suzy

“Zoals ze me betastte, zó professioneel…” Van de gespreksflarden die langswaaien, blijft deze hangen – zoals een dwarrelend blad dat kan, aan een jas of een trui. De flarden komen van rechts, waar twee dames opgaan in hun worteltaart en hun gesprek. Het praten en gebaren, het schikken en opprikken van de taart: het gaat allemaal met de achteloosheid van jarenlange ervaring. Ze zijn dan ook al ruim voorbij de vijftig. En ze zijn leraressen Spaans, wordt me later duidelijk. De een draagt een roze zonnebril, de ander een blauwe. Ja, waarom niet? Zon overspoelt het terras van ’t Sluisje in Noord en de roze bril voert het hoogste woord over haar ervaringen op de Madrileense luchthaven. “Professioneel en menselijk tegelijk, was ze. Ik was zwaar onder de indruk. Zoals ze me betastte, overal hè. Zonder dat ik er naar van werd, zonder seksuele lading, zonder…” De blauwe bril kauwt op haar taart en knikt uitnodigend. De roze begint over Suzy, die laatst ook werd gefouilleerd en zich vervolgens helemaal uit moest kleden. “Suzy is heel wantrouwend. Dan roep je het af over jezelf.” Roze geeft Spaans, maar spreekt zalvend als een yogalerares. Ze is zen en heeft zelfs zonder haar bril een positieve kijk op dingen. “Weet je wat?”, vervolgt ze, “Ze keek me aan met van die donkere ogen en liet me gewoon doorlopen!” Blauw slikt een hap weg en zegt: “Ook wel weer jammer ergens.”

Paling

Regelmatig heb ik langs het Amsterdam-Rijnkanaal gereden, wensend dat ik naar de overkant kon. Weg van dat lange rechte stuk met populieren en eeuwig wind tegen. Op een dag was daar de Nesciobrug. Palingbrug in de volksmond. Van tien meter hoogte kronkelt hij aan weerskanten van het water naar beneden. Een hang-tuibrug speciaal voor voetgangers en fietsers, verbinding tussen IJ-burg en Diemen. Bewijs dat belastinggeld ook goed besteed wordt. Een tanker van Somtrans.be – onze vlag dekt uw lading – vaart er traag onderdoor. Een groep wielrenners rijdt langs het kanaal in tegengestelde richting. Letters van rood plakband op het asfalt onder hun wielen: A + i = ♥! Soms is een som simpel. Twee pubers wandelen over de brug, fiets in de hand, strandtas onder de snelbinders. De een draagt een hemdje, de ander een jurkje. De rolverdeling tussen beiden is duidelijk: het jurkje vertelt over jongens, het hemdje luistert en dagdroomt. Het duurt zeker een kwartier voor ze de tocht over de achthonderd meter lange paling hebben afgelegd. Daarna lopen ze langs het kanaal verder naar de ondergaande zon. Verhalen over jongens, het geklepper van slippers, een velg die over het asfalt schuurt.

Sonny

Weinig wees erop dat het de avond van Sonny Fortune zou worden. Zoals hij daar zat, met lange tanden aan een bord spaghetti. Dood bier voor de neus, gedachten in de verte. Een afwezigheid die wordt benadrukt door de druk pratende bandleden die de tafel met hem delen. De best geklede saxofonist van het land, die hem heeft overgehaald tot dit optreden, legt een hand op de schouder van zijn legendarische vakbroeder. Tegenzin of fashionably late: de show begint een uur later dan aangekondigd. Al is beginnen misschien niet het juiste woord. Bij Sonny’s openingssolo sputtert zijn sax als een kapotte buitenboordmotor. Sonny tuurt in de hals, houdt het ding op z’n kop, schudt er eens mee, blaast erop en produceert slechts wat schor gereutel. Rustig begint hij het instrument uit en in elkaar te schroeven. Legendes laten zich niet door de tijd opjagen. Begeleid door kwinkslagen van de best geklede saxofonist lijkt het een sketch, met als voorlopige climax Sonny’s aftocht. Zijn in smoking gestoken gastheer volgt in gestrekte draf zonder zijn cool te verliezen. Piano, bas en drums spelen kabbelend door, lijn 26 glijdt voorbij volgens schema. Aan het voor jazz gemaakte weer ligt het niet. Vallende avond en vallende regen:  strepen op de pui, vervormde autolichten. Op een moment dat niemand er nog op rekent, keren ze terug : “I have to make an announcement: this is not my horn. But i will blow on it, because i’m supposed to blow here.” Met geleende sax blaast Sonny vervolgens – longen uit zijn lijf, wangen op springen – de solo van zijn leven.

Olga

Ze zoekt oogcontact en als ik niet wegkijk, zegt ze: “Mag ik iets vragen?” Haar stem is zacht, haar blik die van de geslagen hond. “Om vannacht te kunnen slapen bij het Leger des Heils heb ik een-vijfenzeventig nodig.” Ik trek mijn handschoenen uit en haal twee euro tevoorschijn. Ze bedankt zonder veel nadruk. Als ik even later omkijk, zie ik haar net als de meeuwen rondcirkelen op de Buiksloterweg, hopend op een gift van de pontgangers. Haar passen zijn wankel, haar gympen enorm. De trenchcoat die ze draagt is ook te groot. Tezamen met het uitgezakte haar en gezicht, maakt het een droevige indruk. Toch denk ik niet dat ze aan de drank of drugs is. Ze komt me voor als een ongelukkige huisvrouw, een fletse versie van Olga Zuiderhoek, die door een speling van het lot aan lager wal geraakt is. Als ik anderhalf uur later uit een van de zalen van het Filmmuseum kom, hangt ze onveranderd rond bij de pont. De zon is verdwenen achter het station en het is nog kouder geworden. Ze benadert tevergeefs een paar mensen die van de overkant komen en moet rennen om mij aan te spreken voor ik ernaar terugkeer. “Mag ik iets vragen?”, zegt ze half struikelend. “Om vannacht te kunnen slapen bij het Leger des Heils heb ik een-vijfenzeventig nodig.” “Ik heb je daarstraks twee euro gegeven.” Ze is sprakeloos en haar gezicht trilt. “Sorry, dat was ik even vergeten.”

Open

Ineens is het er. Een geluid dat er vannacht nog niet was. Ik heb mijn handgemaakte, zo goed als nieuwe fiets in het rek gezet en ben gaan slapen. Nu rijd ik weg en hoor tik tik tik. Zacht, maar toch. Met tussenpozen van een halve seconde. Ik probeer de oorzaak te vinden, maar vind niets. Geratel in de buurt van de kettingkast. Nader tot een diagnose kom ik niet. De vergankelijkheid der dingen. Je kunt er un peu triste van worden, maar op een dag als deze niet. De wind herinnert nog aan de winter, maar de zon brengt de lente. Beloftes hangen in de lucht. Ik ben niet de enige die dit ziet. Als ik op zoek ga naar een terras zit alles stampvol. Eén zonnestraal en iedereen rent naar buiten. Toch vind ik even buiten het centrum een plek waar bijna niemand is. Een restaurant in een oude spoorbrug aan het IJ, met een hoog terras op wat men het bruggenhoofd noemt. Ik vraag om wijn en iets te eten alsjeblieft. Buiten de kaart is er pasta putanesca. Spaghetti van de hoeren, voegt de serveerster me, volgens de laatste horeca-etiquette op haar hurken, toe. De zoute ansjovis. Het zuur van de wijn. Pepers die smeulen in de mond. Ik bestel nog een glas en bereik de perfecte roes. De zon schijnt, het water schittert, de tijd verdwijnt. Op weg naar huis hangt over de stad een gouden gloed die alles en iedereen omfloerst. Ik zou me kunnen afvragen of ik gelukkig ben, maar ontwijk in plaats daarvan een kinderwagen. Alles valt op zijn plaats en zelfs het ratelen lijkt in de drukte op de grachten verdwenen. Dan hoor ik het weer.