Ni

Hij staart naar de katten die als mamushka’s voor het raam staan. Ze zwaaien met hun rechterpootjes en maken het geluid van ruitenwissers. De monotonie voert hem voorbij zijn gedachten tot een kreet vanachter het gordijn hem terugbrengt naar de menukaart in zijn schoot. Zijn vinger gaat langs de namen en houdt dan stil. Hij wijst naar een foto en kijkt omhoog. “Kaan, graag.” “Geen Kaan”, zegt de vrouw met een brede lach. “Wel Ni.” Hij knikt en volgt haar de gang in die wordt gevormd door aan weerszijden hangende gordijnen. Aan het eind ervan wacht Ni. Ze vouwt haar handen samen, maakt een buiging en verzoekt hem te volgen. “Clothes off”, zegt ze schuw. Hij neemt de kleine ruimte in zich op: de mat met het bloemenkussen op de grond, het palmenstrand aan de muur, het stopcontact dat uit de oceaan opduikt. Ni drukt op de pomp van een op een kruk rustende emmer, het soort waar in een snackbar mayonaise uit komt. Ze smeert de olie eerst uit over haar handen en dan op zijn rug. “You hurt?” Ni heeft weinig meer gedaan dan strelen. Hij draait zijn hoofd vragend om. “You hurt?” Heeft hij het toch goed gehoord. “No, i’m fine.” Terwijl hij het zegt, begrijpt hij wat ze bedoelt: het litteken dat rond zijn biceps loopt, als een rits waarmee je de onderarm kunt afdoen. Ni aait het litteken als was het een gewond huisdier. “I was hurt”, zegt hij en zucht. “But now i’m fine.”

Dans

De vrouw in haar mantelpak is boos dat er geen bakkeljauw is. “We zouden te weinig verkopen vanwege de vakantie”, zegt de man van de toko. Het is stil in het metrostation onder het Weesperplein, op deze hete dag in augustus. De tourniquets van de perrons piepen maar zelden. Des te opvallender het paar dat in een inham van de hal, voor de glazen pui van de rijwielservice, een dans is begonnen. Grijze haren, zwarte kleding. Hij lomp met zijn ossenlijf. Zij ook niet soepel, maar wel de bouw van een danseres. Ze doen een stille tango in tl-licht. Misschien dat ze in gedachten de accordeon en violen van Piazzolla horen. Zoals gezegd: soepel oogt het niet, maar ze leggen alles in hun finale. Daarna blaast hij leunend op haar schouders uit – zijn hemd nat van het zweet – en gaan ze samen op de foto. Uit een rugzak wordt een fles water opgediept. Zij drinkt eerst en gooit dan een slok over hem heen. De volgende ontwijkend, zet hij het op een rennen. Voor zover het rennen is. Zij houdt met gestrekte arm de fles vast die hem achtervolgt richting uitgang. Zodra ze de trap nemen, verdwijnen ze uit het zicht.

Jurk

Een kazerneterrein midden in de Oeverlanden. Zo’n plek die je een volgende keer niet terugvindt, waarna je gaat twijfelen of je er wel geweest bent. Ik kom er door de muziek te volgen. Afrikaanse bassen dringen diep in het natuurgebied door. Het terrein ligt tussen de berken verscholen en is door onkruid overwoekerd. Een roestige Cadillac wordt gebruikt als kippenhok. Her en der liggen wrakken van boten. Een tanige man knapt in blote bast een sloep op. Lak en huid craquelé. De muziek stopt even, maar klinkt daarna weer, komend vanachter de kazerne. Ik loop om het gebouw heen en zie een groep Afrikaanse vrouwen dansen in felgekleurde jurken. Rond campingtafels zitten meer vrouwen, mannen en kinderen. Handenklappend. Een man in een hemelsblauw pak en witleren schoenen komt naar me toe met in zijn uitgestoken hand een blik Alfabier. Ik neem het aan na enig aandringen. Ze komen uit Ghana en wonen hier. Illegaal, vermoedelijk. Ik vind het niet gepast als passant op een feestje daarnaar te informeren. Alleen de vrijgezelle vrouwen dansen, zegt hij. Naar de gunsten van een man, wordt uit het vervolg van zijn verhaal duidelijk. Ik krijg nog een blik Alfa, een bord eten. Daarna nog een blik. Het is zwoel en schemerig. Een van de dansende vrouwen wenkt me.

Tong

“Ik kom eigenlijk nooit in Noord”, zegt de vrouw. “Daar mis je weinig aan”, antwoordt de marktman, terwijl hij een aanbieding van zes flessen shampoo in haar tas stopt. “Behalve mij natuurlijk.” Helemaal ongelijk heeft hij niet, wat dat weinig missen betreft. De markt op het Mosveld maakt met zijn lege paden en gebakken vislucht een troosteloze indruk. Net als de marktman zelf overigens met zijn grove huid en rotte tanden. Een zwerfster in trainingspak vraagt hem wat kleingeld. “Als ik kleingeld heb, dan geef ik het aan mijn kinderen!” Daarna tegen niemand in het bijzonder: “Ze loopt altijd te bietsen, laat haar werk zoeken.” Niemand reageert. De Turkse vrouwen richten zich op de voordeelverpakkingen tandpasta en pompzeep, een Vietnamese met een bosje anjers rookt stoïcijns haar sigaret en spuwt op de grond. “Koud”, zegt ze. Ze draagt weliswaar een korte bontjas, maar is in haar knielaarzen gestapt met blote benen. “We kunnen je wel even opwarmen hoor”, zegt de marktman met zijn grove huid en rotte tanden. De Vietnamese gaat met haar tong langs haar lippen: “Fifty euro.” Rook kringelt uit haar neusgaten. “Zes flessen shampoo.”

Hart

“I don’t understand the Dutch.” Drs. Pakasa heeft de man tegenover hem in de coupé een hand en een visitekaartje gegeven en is aan een monoloog begonnen. Over zijn wieg in Congo, zijn hoogleraarschap in Leiden en de vlucht die hem straks van Schiphol naar zijn geboorteland brengt. “Mijn moeder heeft een vrouw voor me gevonden. Van mij hoeft het niet meer, maar je zegt geen nee tegen je moeder.” Pakasa trekt zijn schoenen uit en nestelt zijn geitenwollen voeten comfortabel naast de man op de zitting. “Waarom wilt u geen vrouw meer?” “Ik heb vijf vrouwen. Dat is meer dan genoeg.” Pakasa zucht en begint een pijp te stoppen. “Bent ú getrouwd?” De man schudt. Pakasa knikt. “Ik don’t understand the Dutch. Ik woon hier sinds 1983, maar de Nederlandse identiteit ken ik nog steeds niet.” Pakasa sabbelt aan een pijp die niet aangestoken is. Tabak dwarrelt door de lucht. “De Nederlandse identiteit bestaat misschien wel niet. We’re only a small country.” “I totally disagree”, zegt Pakasa. “Jullie zijn een groot land. Jullie hebben de zeeën bevaren en de wereld veroverd.” Opnieuw regent het tabaksnippers. “Dat was eeuwen geleden. Over jullie ruggen.” De pijp van Pakasa is uit, maar zijn ogen branden. Langzaam en driftig tegelijk knoopt hij de boord van zijn hemd los, rukt het open en wijst met de pijp naar een enorm litteken. “Vakwerk, volgens een Duitse arts die ik laatst sprak in Hannover.” Met een knokkel tikt hij hard tegen zijn onderhuidse pacemaker. “Van een Nederlandse chirurg!”

Bus

De wind schuift plastic bekers door de Van Hallstraat, die met scherven en vuurwerkresten bezaaid is. Purperen tapijt, glinsterend in kil maanlicht. Op de hoek bij de brug wachten drie Surinaamse vrouwen op lijn 21. De jongste leunt tegen het raam van het bushok dat níet gesneuveld is. Glas bleek van nachtvorst, toch heeft ze haar jas niet dichtgeritst. Ze gunt verkleumde passanten het hartverwarmende zicht op haar boezem. Zeg maar rustig voorgevel. Het kettinkje met haar naam – Wonny – ligt er bovenop. De andere vrouwen hebben hun wollen jassen wel dicht tot de kin. Een draagt een muts, de ander een bos grijze krullen. Het zouden Wonny’s moeder en oma kunnen zijn, een oudere tante misschien. Ze praten druk met elkaar, terwijl Wonny verveeld op haar kauwgum kauwt en aan de overkant van de straat een man oversteekt. Blauw trainingsjack, kale kop – uitgezonderd een krans vette slierten. Eigenlijk is het geen oversteken. Hij probeert het, maar zijn pas is de dans van een dronkenlap. Stap voorwaarts, driekwart achterwaarts. Het lijkt een eeuwigheid te duren. Ondertussen ontgaat hem het gebrom op de achtergrond. Vanaf het Frederik Hendriksplantsoen nadert lijn 21. Pas als de koplampen vol op hem gericht zijn, dringt het tot hem door: een ruimteschip. Als een verlamd konijn staart hij in het licht. De chauffeur probeert hem te ontwijken en koerst af op het bushok. Met jankende remmen zet hij de bus stil. Gegil. Onder de wielen ligt een tas van Dirk van den Broek met geplette boodschappen, maar de Surinaams vrouwen zijn ongedeerd. Wonny kauwt op haar kauwgum en schikt haar boobies. De anderen kijken geschrokken rond. De Van Hall is leeg en donker.