Simon

’s Ochtends in het Vondelpark wijst weinig op de oranje vloedgolf die de stad zal gaan overspoelen. De wedstrijd is even ver weg als voor iemand op Bali of de Galapagos. Lavendel, turkoois, goudgeel, olijfgroen: jurkjes in alle kleuren komen voorbij, behalve die ene. Half slapend onder een boom hoor ik iemand España, España roepen. Geen droom, maar een kogelronde man die rondrijdt op een wrak van een fiets. Later wat tumult rond de bank waar zwervers en dronkenmannen samenscholen. Een zet een karatetrap á la Van Gaal in, maar mist zijn tegenstander volledig en landt met zijn rug in het grind. Vervolgens is het weer just another day in the park tot een paar uur voor de wedstrijd. ’s Nachts, als het oranje langzaam is weggeëbd, rijd ik na een memorabele overwinning weer door het park naar huis en passeer twee laveloze, benevelde types, die aan weerskanten van het pad zitten, schuine streep liggen. De een roept met Spaanse tongval Madríd, Madríd, Madríd! De ander gaat er tegenin met: Dirk van den Broek, Dirk van den Broek! En net als de een weer Madríd aanheft: Simon de Wit!

Bus

De wind schuift plastic bekers door de Van Hallstraat, die met scherven en vuurwerkresten bezaaid is. Purperen tapijt, glinsterend in kil maanlicht. Op de hoek bij de brug wachten drie Surinaamse vrouwen op lijn 21. De jongste leunt tegen het raam van het bushok dat níet gesneuveld is. Glas bleek van nachtvorst, toch heeft ze haar jas niet dichtgeritst. Ze gunt verkleumde passanten het hartverwarmende zicht op haar boezem. Zeg maar rustig voorgevel. Het kettinkje met haar naam – Wonny – ligt er bovenop. De andere vrouwen hebben hun wollen jassen wel dicht tot de kin. Een draagt een muts, de ander een bos grijze krullen. Het zouden Wonny’s moeder en oma kunnen zijn, een oudere tante misschien. Ze praten druk met elkaar, terwijl Wonny verveeld op haar kauwgum kauwt en aan de overkant van de straat een man oversteekt. Blauw trainingsjack, kale kop – uitgezonderd een krans vette slierten. Eigenlijk is het geen oversteken. Hij probeert het, maar zijn pas is de dans van een dronkenlap. Stap voorwaarts, driekwart achterwaarts. Het lijkt een eeuwigheid te duren. Ondertussen ontgaat hem het gebrom op de achtergrond. Vanaf het Frederik Hendriksplantsoen nadert lijn 21. Pas als de koplampen vol op hem gericht zijn, dringt het tot hem door: een ruimteschip. Als een verlamd konijn staart hij in het licht. De chauffeur probeert hem te ontwijken en koerst af op het bushok. Met jankende remmen zet hij de bus stil. Gegil. Onder de wielen ligt een tas van Dirk van den Broek met geplette boodschappen, maar de Surinaams vrouwen zijn ongedeerd. Wonny kauwt op haar kauwgum en schikt haar boobies. De anderen kijken geschrokken rond. De Van Hall is leeg en donker.