Bui

Een stel komt in elkaars armen uit The Movies. Zoals Bob en Susan op de hoes van The Freewheelin’ Bob Dylan. Boven de ingang flikkert een lijst van lampen tegen een donkere lucht, die een tropische bui aankondigt. Druppels, dan een stortbad. Hij steekt een paraplu op en ze lopen de Haarlemmerdijk over, omvat door de regen die hun wereld terugbrengt tot een cilinder. Droog houden ze het desondanks niet. Hun schouders worden nat. Water springt op tegen haar enkels. Als ze niet schuilen zijn ze doorweekt voor de volgende hoek. Harlem is de eerste haven die ze tegenkomen. Ze zijn niet de enigen die hun toevlucht tot het café hebben genomen. Gasten onder de luifel, op de drempel, rond de tafels en de toog. De sfeer is opgetogen. Dat ze het goed hebben binnen, wordt benadrukt door wie buiten afziet. Een riksja die tegen de storm in fiets, gevolgd door een wapperende poncho. Toeval of niet: ze worden ontvangen met I’ve got sunshine on a cloudy day en het lijkt alsof de plek achterin voor hen vrijgehouden is. Wijn en bier komen op tafel, het nat wordt afgeschud. Ze haalt een hand door haar haren en zet het glas aan haar lippen, die net als haar decolleté en haar armen glanzen. Hij kijkt haar na als ze naar het toilet gaat. My girl komt uit de speakers.

Goud

Zij is een-vijfenvijftig en rookt een sigaret met opgetrokken been leunend tegen de muur. Hij is twee meter zeven en gaat, bijna gezicht tegen gezicht, tegenover haar staan met zijn gympen maat zevenenveertig. Hij sluit zijn ogen, houdt zijn rechterhand horizontaal ter hoogte van zijn middenrif en beweegt deze met iedere in- en uitademing langzaam op en neer. Na een halve minuut stilte zegt hij staccato: “Mag ik u iets vragen?” “Ja hoor”, antwoordt zij meteen. Hij sluit zijn ogen en beweegt zijn hand weer op een neer. Adem in, adem uit. Net een meditatie-oefening. “Heeft u tijd om een paar vragen te beantwoorden?” Ze blaast witte rook de blauwe lucht in en knikt: “Ja, ga je gang.” Adem in, adem uit. Hij is alweer met zijn ritueel begonnen. Postuur van een basketballer, toch oogt hij kwetsbaar. “Ik volg een tiendaagse training tegen stotteren. Als ik dit volhou, spreek ik volgens onze leraar net als u.” Ze lacht bemoedigend en pakt even zijn pink beet. Na weer een halve minuut van pure concentratie, zegt hij iets dat ik niet goed versta. Zij ook niet. “Wat zeg je?” Hij lacht met een zucht. Weer opnieuw beginnen… Een halve minuut later: “Maar het kost wel veel moeite.” Ze lacht vertederd, hij lijkt zich een beetje te ontspannen. “Gaat lekker toch!” Na weer een halve minuut stilte: “Dank u voor het leuke compliment. Ik wens u nog een fijne dag.” “Jij ook. Je hebt een lieve lach.” Er lijkt wat op zijn lippen te liggen, maar dat slikt hij in. Zwijgen is nog goud voor hem. Met een verlegen lach en een aarzelende handbeweging neemt hij afscheid. Op het stationsplein draaien snippers cellofaan en papier in het rond.

Fin

Westerpark, avondzon. Op de ellebogen in het gras met uitzicht op de gasfabriek, het spoor naar Sloterdijk in de rug. Kinderen rennen in het schitterende water. Een boom van een kerel met blonde krullen steekt ver boven hen uit en waadt, bleke benen in sandalen, door het pierebad. Net als ik hem wil laten voor wat hij is, zet hij – in slow motion – een balletpas in. Armen in vleugelslag. Eén been hoog optrekkend, het andere ver achter zich. Dan het besef: hij fladdert iemand tegemoet. Extase op zijn gezicht. Rechts in beeld verschijnt het object van zijn paringsdans. Blootsvoets in een bloemenjurk. Ook haar ledematen zijn wimpels in een lentebries. Halverwege het veld springen ze in elkaars armen en draaien als zweefmolens rond. Het lijkt wel een film, denk ik, gevolgd door: dat is de bedoeling! Ze spelen de romantische oerscène die we allemaal 183 keer hebben gezien. Ik ook. Al herinner ik me op dit moment de voorbeelden niet. Ja, The Naked Gun met Leslie Nielsen, maar dat is een parodie. (Nielsen bespringt op het strand eerst de verkeerde vrouw en slaat daarna zijn arm, mislukte omhelzing, in het gezicht van liefje Priscilla Presley.) Ik kijk of anderen de voorstelling ook zien, maar het koppel naast me ligt net te lekker vozen. De Surinaamse daar kauwt op een stuk kip. Alsof het cut heeft geklonken is de scène in een klap over. Zij pakt haar gympen, hij doet zijn rugzak om en ze verdwijnen aan de horizon. Tegen het doek van de hemel in geschilderde letters: Fin.

Olga

Ze zoekt oogcontact en als ik niet wegkijk, zegt ze: “Mag ik iets vragen?” Haar stem is zacht, haar blik die van de geslagen hond. “Om vannacht te kunnen slapen bij het Leger des Heils heb ik een-vijfenzeventig nodig.” Ik trek mijn handschoenen uit en haal twee euro tevoorschijn. Ze bedankt zonder veel nadruk. Als ik even later omkijk, zie ik haar net als de meeuwen rondcirkelen op de Buiksloterweg, hopend op een gift van de pontgangers. Haar passen zijn wankel, haar gympen enorm. De trenchcoat die ze draagt is ook te groot. Tezamen met het uitgezakte haar en gezicht, maakt het een droevige indruk. Toch denk ik niet dat ze aan de drank of drugs is. Ze komt me voor als een ongelukkige huisvrouw, een fletse versie van Olga Zuiderhoek, die door een speling van het lot aan lager wal geraakt is. Als ik anderhalf uur later uit een van de zalen van het Filmmuseum kom, hangt ze onveranderd rond bij de pont. De zon is verdwenen achter het station en het is nog kouder geworden. Ze benadert tevergeefs een paar mensen die van de overkant komen en moet rennen om mij aan te spreken voor ik ernaar terugkeer. “Mag ik iets vragen?”, zegt ze half struikelend. “Om vannacht te kunnen slapen bij het Leger des Heils heb ik een-vijfenzeventig nodig.” “Ik heb je daarstraks twee euro gegeven.” Ze is sprakeloos en haar gezicht trilt. “Sorry, dat was ik even vergeten.”

Dolly

Door de jaren heen heb ik een band gekregen met de mannen van de stalling. De broer van Morgan Freeman die me altijd een wat ongemakkelijk gevoel geeft als hij ter begroeting buigt en heer zegt. De oude hippie uit San Francisco met wierook en Delftsblauw bord. Hij biedt het wisselgeld erop aan, in de hoop dat iemand wat laat liggen. En de kleine met zijn bierbuik. Leren gilet, sigaar in de mond. Altijd kankerend. Omdat er gefietst wordt in zijn stalling. Of omdat iemand oude bonnen op de fiets heeft laten zitten, waardoor er geen plek is voor nieuwe. Meestal scheurt hij ze eraf, begeleid door een reprimande. Vandaag niet. Terwijl er genoeg zondaars de stalling binnen komen fietsen. Op de vlucht voor de regen, die met bakken naar beneden komt. Je kunt uit de hemel drinken. Het is dringen in de dampende stalling. Parapluwrakken op de grond, Dolly “Here we go again” Parton hard uit de speakers. Het is maandagochtend en ik ben doorweekt. Weinig om vrolijk van te worden. Toch ben ik het. Op het overdrevene af zelfs. “Waarom Dolly Parton?”, vraag ik. Hij kijkt me aan als een golden retriever die net een schop heeft gekregen en zegt met trillende bovenlip: “Me vrouw is bij me weggelopen.”

Truman

Op weg naar Silver Screen aan de Haarlemmerdijk. Voor films die u nergens anders ziet. Meer een excuus voor een wandeling dan een doel op zich. Soms heb je zin in een frisse neus, en het is er weer voor. Kraakheldere lucht die de longen laat tintelen. Ik adem uit. Ik adem in. Gewoon, maar toch… Een vrouw met een kroon van zilverpapier rookt een sigaret bij de kapper voor de deur. We kijken elkaar aan, een ogenblik, en volgen dan samen de jogger die passeert. Capuchon op het hoofd, handdoek in de nek en in beide handen een fles drank verpakt in cadeaupapier. De vrouw trapt haar peuk uit en haalt haar schouders op. Ik steek over. Alleen met duizenden films. Tot de eigenaar van de zaak toch nog entree maakt door een achterdeur. Hij lijkt op Philip Seymour Hoffman, in de rol van Truman Capote. Prima typecasting voor een verkoper van obscure films. We knikken en mompelen wat ter begroeting. Er komt nog iemand binnen. Ouwe bes, krassende stem: “As it is in heaven, heeft u die?” Truman knikt. “En kunt u hem aanbevelen?” Stilte. Dan volgt toch de bevestiging. Truman houdt zelf niet van tearjerkers, maar leeft zich in. Of wil gewoon verkopen. “Laat eens zien!” Ze zegt het alsof het een tattoo betreft op een intiem plekje. Eerst gaat de hoes keurend door haar handen, dan dringt ze aan op korting. Truman zucht en zwicht tenslotte. “Tasje erbij?” “Wat voor tasjes heeft u?” Truman houdt een exemplaar van zwart, glanzend plastic in de lucht. “Ach dat is nooit weg.” Als hij de film erin wil schuiven, zegt ze: “Laat u maar, gaat zo wel” en vertrekt met de film en het tasje dat nog opgevouwen is.