Kous

Ik zie vanuit een ooghoek dat hij tegenover haar gaat zitten. Te dichtbij voor een vreemde, waardoor ik even denk dat ze bij elkaar horen. Ze zouden oma en kleinzoon kunnen zijn wat leeftijd betreft, maar ze verschillen als dag en nacht wat betreft kleding en uiterlijk. Zij koket met gepommadeerd haar, parelsnoer en kokerrok. Hij onfris met zijn wijde blouse, wilde blik en plakhaar. Terwijl de conducteur de tram binnenkomt, die bij de beginhalte van het Amstelstation op hem staat te wachten, schuift de puber nog wat dichterbij totdat zijn knieën die van haar kussen. Hij kijkt haar indringend aan, zij kijkt de andere kant op. Met andere passagiers probeer ik in te schatten of ze hulp nodig heeft, maar ze lijkt niet onder de indruk. “Mooie kousen”, zegt hij dan tegen haar en volgt met zijn hand op tien centimeter de lijn van haar kuit tot haar enkels. Zijn wilde blik roept herinneringen op aan de Vieze man van Kees van Kooten. Als ze niet reageert, staat hij op en springt nog net uit de tram voordat deze vertrekt.

Tong

“Ik kom eigenlijk nooit in Noord”, zegt de vrouw. “Daar mis je weinig aan”, antwoordt de marktman, terwijl hij een aanbieding van zes flessen shampoo in haar tas stopt. “Behalve mij natuurlijk.” Helemaal ongelijk heeft hij niet, wat dat weinig missen betreft. De markt op het Mosveld maakt met zijn lege paden en gebakken vislucht een troosteloze indruk. Net als de marktman zelf overigens met zijn grove huid en rotte tanden. Een zwerfster in trainingspak vraagt hem wat kleingeld. “Als ik kleingeld heb, dan geef ik het aan mijn kinderen!” Daarna tegen niemand in het bijzonder: “Ze loopt altijd te bietsen, laat haar werk zoeken.” Niemand reageert. De Turkse vrouwen richten zich op de voordeelverpakkingen tandpasta en pompzeep, een Vietnamese met een bosje anjers rookt stoïcijns haar sigaret en spuwt op de grond. “Koud”, zegt ze. Ze draagt weliswaar een korte bontjas, maar is in haar knielaarzen gestapt met blote benen. “We kunnen je wel even opwarmen hoor”, zegt de marktman met zijn grove huid en rotte tanden. De Vietnamese gaat met haar tong langs haar lippen: “Fifty euro.” Rook kringelt uit haar neusgaten. “Zes flessen shampoo.”

Worst

Een man staat naakt voor de deur van zijn woning. Naakt, hij draagt een broek en legerschoenen, maar desondanks etaleert hij meer bloot dan drie doorsnee volwassenen die helemaal niets aanhebben. Het bovenlichaam van de man is reusachtig. Met name de buik, die ver over de broek gulpt en een spleet kent die bij de navel begint. Het is alsof zijn achterste aan de voorkant zit. De bretels die hij draagt worden door de buik opzij geduwd en op zijn rug verdwijnt de x-vormige draagband diep in lillend vlees, dat bleek is als gekookte worst uit Thüringen. Een gericht plan lijkt de man niet te hebben. Afwisselend leunt hij tegen de vensterbank of beert wat rond, half oog voor de mensen die passeren. De meesten zien hem helemaal niet. Met een voet probeert hij verlepte bloemknoppen van de stoep in de goot te duwen. Tevergeefs. De dwarse knoppen bewegen nauwelijks. Uiteindelijk geeft hij het op en gaat naar binnen. Kort daarop keert hij gekamd terug, buikhaar niet meegerekend, en schuift traag de straat uit richting centrum. Minuten later en hooguit honderd meter verder gaat hij bij Borneostraat 40 naar binnen. Gospelzang en de geur van kamperfoelie komen hem tegemoet. De dienst van de Universele Kerk van Gods Rijk staat op punt van beginnen. UKGR – waar een beter leven wacht, verkondigt het bord boven de deur.

Bloot

Hoe zou het zijn met Gümüs (de Turkse kleermaker uit de Pijp, die vanwege politiek geneuzel het land uit moest)? De gedachte komt bij me op als ik bij Küçük in de Jordaan een pak kom laten stomen. In de etalage liggen stapels sokken. Aardewerk schotels, een trouwfoto en een kitschprent van een waterval aan de muur. Küçük komt uit het naaiatelier vanachter het zijden gordijn de winkel binnen. Hij heeft dezelfde milde uitstraling als Gümüs die blijkbaar bij een kleermaker hoort. Snor als een kwast, half brilletje. De klant voor me wil een hemd laten inkorten. Küçük is een man van weinig Nederlandse woorden, maar het minzame knikje van zijn hoofd zegt genoeg: omkleden. Op zich geen punt, ware het niet dat het pashok bezet is. De klant aarzelt even, maar wisselt dan van hemd in de winkel. Küçük neemt hem de maat, haalt een speld van tussen zijn lippen en steekt deze voorzichtig in een vetrol. Net als hij het teken geeft dat hij klaar is, komt er nog iemand binnen. Een verlegen vrouw in een legerjas, ik schat haar achtentwintig. De klant kijkt naar het pashok, dat nog altijd bezet is (ik hoor iemand zachtjes neuriën), en naar Küçük, die de rekening aan het opmaken is. Dan gaat hij voor de vrouw staan en begint, wiegend met zijn heupen, langzaam zijn hemd los te knopen.