Nat

De brug bij de Hortus is gesloten. Op zich niets bijzonders, maar je ziet dat het nu anders dan anders is. Wachtenden met elkaar in gesprek. Nieuwkomers die meteen bijgepraat worden. Een demonstratie van het begrip lopend vuurtje, in een sfeer van lome opwinding. Dat lome zal door de temperatuur komen: bijna zonsondergang, maar toch een graad of dertig. Mensen glanzend van het zweet. Natte plekken onder oksels, op ruggen. Dit is thuiskomen voor de tropische bomen in de Hortus. Terug naar hun wortels, zou je bijna zeggen. De hitte is ook de reden dat de slagbomen horizontaal liggen. De brug is uitgezet en kan open noch dicht. Het dek zit knel tussen de kade en steekt uit boven het wegdek. De brugwachter is met een brandslang in de weer en laat water in een hoge boog op het asfalt kletteren. Langzaam loopt het richting sandalen en slippers. De blijdschap van kinderen in een zwembad. Vakantiepret. Of iets dat daaraan herinnert tenminste. Als de brug een kwartier later nog geen krimp geeft, besluit de brugwachter dat we toch over mogen. Een aantal begint over de bomen te klimmen, anderen kruipen er onderdoor. Fietsen worden met vereende krachten opgetild. Iemand neemt zijn burgerzin erg serieus en wil per se twee vrouwen helpen die, leunend op hun omafiets, druk staan te kletsen zoals vrouwen dat kunnen. Ze dragen zomerjurkjes. Hij heeft duidelijk wat gedronken. “Laat ons maar”, zegt een van hen. “Ze heeft last van haar knieën.” En als hij daar geen genoegen mee neemt: “Laat ons man, we staan lekker hier.”

Hart

“I don’t understand the Dutch.” Drs. Pakasa heeft de man tegenover hem in de coupé een hand en een visitekaartje gegeven en is aan een monoloog begonnen. Over zijn wieg in Congo, zijn hoogleraarschap in Leiden en de vlucht die hem straks van Schiphol naar zijn geboorteland brengt. “Mijn moeder heeft een vrouw voor me gevonden. Van mij hoeft het niet meer, maar je zegt geen nee tegen je moeder.” Pakasa trekt zijn schoenen uit en nestelt zijn geitenwollen voeten comfortabel naast de man op de zitting. “Waarom wilt u geen vrouw meer?” “Ik heb vijf vrouwen. Dat is meer dan genoeg.” Pakasa zucht en begint een pijp te stoppen. “Bent ú getrouwd?” De man schudt. Pakasa knikt. “Ik don’t understand the Dutch. Ik woon hier sinds 1983, maar de Nederlandse identiteit ken ik nog steeds niet.” Pakasa sabbelt aan een pijp die niet aangestoken is. Tabak dwarrelt door de lucht. “De Nederlandse identiteit bestaat misschien wel niet. We’re only a small country.” “I totally disagree”, zegt Pakasa. “Jullie zijn een groot land. Jullie hebben de zeeën bevaren en de wereld veroverd.” Opnieuw regent het tabaksnippers. “Dat was eeuwen geleden. Over jullie ruggen.” De pijp van Pakasa is uit, maar zijn ogen branden. Langzaam en driftig tegelijk knoopt hij de boord van zijn hemd los, rukt het open en wijst met de pijp naar een enorm litteken. “Vakwerk, volgens een Duitse arts die ik laatst sprak in Hannover.” Met een knokkel tikt hij hard tegen zijn onderhuidse pacemaker. “Van een Nederlandse chirurg!”

Open

Ineens is het er. Een geluid dat er vannacht nog niet was. Ik heb mijn handgemaakte, zo goed als nieuwe fiets in het rek gezet en ben gaan slapen. Nu rijd ik weg en hoor tik tik tik. Zacht, maar toch. Met tussenpozen van een halve seconde. Ik probeer de oorzaak te vinden, maar vind niets. Geratel in de buurt van de kettingkast. Nader tot een diagnose kom ik niet. De vergankelijkheid der dingen. Je kunt er un peu triste van worden, maar op een dag als deze niet. De wind herinnert nog aan de winter, maar de zon brengt de lente. Beloftes hangen in de lucht. Ik ben niet de enige die dit ziet. Als ik op zoek ga naar een terras zit alles stampvol. Eén zonnestraal en iedereen rent naar buiten. Toch vind ik even buiten het centrum een plek waar bijna niemand is. Een restaurant in een oude spoorbrug aan het IJ, met een hoog terras op wat men het bruggenhoofd noemt. Ik vraag om wijn en iets te eten alsjeblieft. Buiten de kaart is er pasta putanesca. Spaghetti van de hoeren, voegt de serveerster me, volgens de laatste horeca-etiquette op haar hurken, toe. De zoute ansjovis. Het zuur van de wijn. Pepers die smeulen in de mond. Ik bestel nog een glas en bereik de perfecte roes. De zon schijnt, het water schittert, de tijd verdwijnt. Op weg naar huis hangt over de stad een gouden gloed die alles en iedereen omfloerst. Ik zou me kunnen afvragen of ik gelukkig ben, maar ontwijk in plaats daarvan een kinderwagen. Alles valt op zijn plaats en zelfs het ratelen lijkt in de drukte op de grachten verdwenen. Dan hoor ik het weer.

Bloot

Hoe zou het zijn met Gümüs (de Turkse kleermaker uit de Pijp, die vanwege politiek geneuzel het land uit moest)? De gedachte komt bij me op als ik bij Küçük in de Jordaan een pak kom laten stomen. In de etalage liggen stapels sokken. Aardewerk schotels, een trouwfoto en een kitschprent van een waterval aan de muur. Küçük komt uit het naaiatelier vanachter het zijden gordijn de winkel binnen. Hij heeft dezelfde milde uitstraling als Gümüs die blijkbaar bij een kleermaker hoort. Snor als een kwast, half brilletje. De klant voor me wil een hemd laten inkorten. Küçük is een man van weinig Nederlandse woorden, maar het minzame knikje van zijn hoofd zegt genoeg: omkleden. Op zich geen punt, ware het niet dat het pashok bezet is. De klant aarzelt even, maar wisselt dan van hemd in de winkel. Küçük neemt hem de maat, haalt een speld van tussen zijn lippen en steekt deze voorzichtig in een vetrol. Net als hij het teken geeft dat hij klaar is, komt er nog iemand binnen. Een verlegen vrouw in een legerjas, ik schat haar achtentwintig. De klant kijkt naar het pashok, dat nog altijd bezet is (ik hoor iemand zachtjes neuriën), en naar Küçük, die de rekening aan het opmaken is. Dan gaat hij voor de vrouw staan en begint, wiegend met zijn heupen, langzaam zijn hemd los te knopen.

Oester

Ik wacht op mijn beurt bij de Sleutelkluis in de Kinker. Wat moest gebeuren is gebeurd: dichte deur terwijl de sleutels nog op tafel liggen. Een vriend met vergelijkbare ervaringen gaf me het nummer van Lorenzo. Die had de deur met een vel papier en een schouderduw in no time open. Daarna volgde de rekening en begon ik aan reservesleutels te denken. Als een studentikoze vrouw de zaak verlaat met een fietsketting (merk No crack), schuifelt een stel bezwete mannen naar voren. Met vereende krachten wordt een roze Samsonite op de balie getild. “We hebben ‘m al jaren, maar nu wil hij niet open.” Aan de andere kant blijft het stil. “We moesten gelijk aan jou denken.” Een stel bezwete mannen. Armeens uiterlijk. Cypriotisch misschien. De een ongeschoren, de ander kringen rond de ogen. Een beetje tot mijn schaamte vertrouw ik het ook niet. Of ze de code kwijt zijn, wil meneer Sleutelkluis weten. “Nee. 3-3-7. Werkt niet.” De specialist beproeft de combinatie. Ondertussen krijgt hij te horen dat de mannen net terug zijn van vakantie. En ze wonen om de hoek. “Misschien is de code verschoven.” Geknik, daarna even niets. De specialist legt zijn oor tegen het slot en morrelt nog een keer. Dan zegt hij dat hij weinig meer kan doen. Als de mannen naar de beitels wijzen aan de muur, zegt meneer Sleutelkluis dat hij daar niet aan begint. Even lijkt er sprake van een patstelling, dan blazen de buurtgenoten beleefd de aftocht. Over de rand van het reclamebord – De Sleutelkluis dat zijn wij! – zie ik ze met de koffer over straat zeulen. Vlakbij hun Toyota klapt de roze oester open. Hemden, djellaba’s en ander wasgoed buitelt op de grond.

Bus

De wind schuift plastic bekers door de Van Hallstraat, die met scherven en vuurwerkresten bezaaid is. Purperen tapijt, glinsterend in kil maanlicht. Op de hoek bij de brug wachten drie Surinaamse vrouwen op lijn 21. De jongste leunt tegen het raam van het bushok dat níet gesneuveld is. Glas bleek van nachtvorst, toch heeft ze haar jas niet dichtgeritst. Ze gunt verkleumde passanten het hartverwarmende zicht op haar boezem. Zeg maar rustig voorgevel. Het kettinkje met haar naam – Wonny – ligt er bovenop. De andere vrouwen hebben hun wollen jassen wel dicht tot de kin. Een draagt een muts, de ander een bos grijze krullen. Het zouden Wonny’s moeder en oma kunnen zijn, een oudere tante misschien. Ze praten druk met elkaar, terwijl Wonny verveeld op haar kauwgum kauwt en aan de overkant van de straat een man oversteekt. Blauw trainingsjack, kale kop – uitgezonderd een krans vette slierten. Eigenlijk is het geen oversteken. Hij probeert het, maar zijn pas is de dans van een dronkenlap. Stap voorwaarts, driekwart achterwaarts. Het lijkt een eeuwigheid te duren. Ondertussen ontgaat hem het gebrom op de achtergrond. Vanaf het Frederik Hendriksplantsoen nadert lijn 21. Pas als de koplampen vol op hem gericht zijn, dringt het tot hem door: een ruimteschip. Als een verlamd konijn staart hij in het licht. De chauffeur probeert hem te ontwijken en koerst af op het bushok. Met jankende remmen zet hij de bus stil. Gegil. Onder de wielen ligt een tas van Dirk van den Broek met geplette boodschappen, maar de Surinaams vrouwen zijn ongedeerd. Wonny kauwt op haar kauwgum en schikt haar boobies. De anderen kijken geschrokken rond. De Van Hall is leeg en donker.

Truman

Op weg naar Silver Screen aan de Haarlemmerdijk. Voor films die u nergens anders ziet. Meer een excuus voor een wandeling dan een doel op zich. Soms heb je zin in een frisse neus, en het is er weer voor. Kraakheldere lucht die de longen laat tintelen. Ik adem uit. Ik adem in. Gewoon, maar toch… Een vrouw met een kroon van zilverpapier rookt een sigaret bij de kapper voor de deur. We kijken elkaar aan, een ogenblik, en volgen dan samen de jogger die passeert. Capuchon op het hoofd, handdoek in de nek en in beide handen een fles drank verpakt in cadeaupapier. De vrouw trapt haar peuk uit en haalt haar schouders op. Ik steek over. Alleen met duizenden films. Tot de eigenaar van de zaak toch nog entree maakt door een achterdeur. Hij lijkt op Philip Seymour Hoffman, in de rol van Truman Capote. Prima typecasting voor een verkoper van obscure films. We knikken en mompelen wat ter begroeting. Er komt nog iemand binnen. Ouwe bes, krassende stem: “As it is in heaven, heeft u die?” Truman knikt. “En kunt u hem aanbevelen?” Stilte. Dan volgt toch de bevestiging. Truman houdt zelf niet van tearjerkers, maar leeft zich in. Of wil gewoon verkopen. “Laat eens zien!” Ze zegt het alsof het een tattoo betreft op een intiem plekje. Eerst gaat de hoes keurend door haar handen, dan dringt ze aan op korting. Truman zucht en zwicht tenslotte. “Tasje erbij?” “Wat voor tasjes heeft u?” Truman houdt een exemplaar van zwart, glanzend plastic in de lucht. “Ach dat is nooit weg.” Als hij de film erin wil schuiven, zegt ze: “Laat u maar, gaat zo wel” en vertrekt met de film en het tasje dat nog opgevouwen is.

Bloed

De straatverlichting brandt nog als ik een espresso bestel bij Westers. Elf uur in de ochtend. De ambtenaar die over het licht gaat, heeft zich verslapen. Of voorzag dat het een donkere dag zou worden. Regen spat uiteen op de tafels op de stoep. Ook de man die stug bleef doorroken, komt nu binnen. “Je snor is zeiknat”, zegt Alma, terwijl ze mij van espresso voorziet. Ze draagt een zwart truitje met v-hals. Voor én achter. Terecht. Ook haar rug mag worden gezien. Willem haalt een hand door de marmot onder zijn neus, schudt de druppels af en bestelt een bloody mary. Radio 1 meldt de liquidatie van een Surinamer in Buitenveldert. Het slachtoffer, een bekende van de politie, is volgens de laatste mode omgebracht met een machinegeweer. Een getuige vergelijkt het geluid met het omkiepen van een bak grind. Daarna komt de buurman van het slachtoffer aan het woord: “Ik ga naar beneden en denk ‘krijg nou wat!’ Zie ik hem op straat liggen, met acht gaten in zijn lichaam.” Als de weersverwachting begint, zet Alma het geluid uit. Dat verhaal kennen we. Willem zegt dat hij Buitenveldert ondanks de vele afrekeningen veiliger vindt dan deze buurt, want “daar molt het gajes elkaar en niet de juwelier.” Met beslagen bril tast hij naar zijn bloody mary en slaat deze in een teug achterover.