Goud

Zij is een-vijfenvijftig en rookt een sigaret met opgetrokken been leunend tegen de muur. Hij is twee meter zeven en gaat, bijna gezicht tegen gezicht, tegenover haar staan met zijn gympen maat zevenenveertig. Hij sluit zijn ogen, houdt zijn rechterhand horizontaal ter hoogte van zijn middenrif en beweegt deze met iedere in- en uitademing langzaam op en neer. Na een halve minuut stilte zegt hij staccato: “Mag ik u iets vragen?” “Ja hoor”, antwoordt zij meteen. Hij sluit zijn ogen en beweegt zijn hand weer op een neer. Adem in, adem uit. Net een meditatie-oefening. “Heeft u tijd om een paar vragen te beantwoorden?” Ze blaast witte rook de blauwe lucht in en knikt: “Ja, ga je gang.” Adem in, adem uit. Hij is alweer met zijn ritueel begonnen. Postuur van een basketballer, toch oogt hij kwetsbaar. “Ik volg een tiendaagse training tegen stotteren. Als ik dit volhou, spreek ik volgens onze leraar net als u.” Ze lacht bemoedigend en pakt even zijn pink beet. Na weer een halve minuut van pure concentratie, zegt hij iets dat ik niet goed versta. Zij ook niet. “Wat zeg je?” Hij lacht met een zucht. Weer opnieuw beginnen… Een halve minuut later: “Maar het kost wel veel moeite.” Ze lacht vertederd, hij lijkt zich een beetje te ontspannen. “Gaat lekker toch!” Na weer een halve minuut stilte: “Dank u voor het leuke compliment. Ik wens u nog een fijne dag.” “Jij ook. Je hebt een lieve lach.” Er lijkt wat op zijn lippen te liggen, maar dat slikt hij in. Zwijgen is nog goud voor hem. Met een verlegen lach en een aarzelende handbeweging neemt hij afscheid. Op het stationsplein draaien snippers cellofaan en papier in het rond.

Glas

Een koude, natte decemberdag. Op de brug van de Korte naar de Lange Niezel staat iemand doorweekt te worden. Sluik haar, mager postuur. Zijn blik is leeg, net als zijn spijkerbroek. Dat wil zeggen: geen vlees op de botten. Weggeteerd door drugs en alcohol. De laatste junk op wat eens, voor de schoonveegacties op de Wallen, de junkenbrug werd genoemd. In café Emmelot is het van de weeromstuit een bejaardensoos: dampend warm, beslagen ramen. Aan de toog een paar stamgasten. Ze krijgen drank van Balthazar en muziek van Hazes. In een hoek van de kroeg is een stel mannen aan het dobbelen. Het werpen gaat stroef door het Perzische kleed op tafel. De stenen rollen tussen bierviltjes en jeneverglazen. Wie verliest moet de drank betalen die ad fundum achterover wordt geslagen. Als na een rondje de geleegde glazen op tafel worden gezet, komt de junk van de brug wankel binnen rennen. Hij grist een glas van tafel, stopt het in zijn spijkerjack en roept: “Een warm bad is als een tweede moeder!” Voordat iemand kan reageren, is hij weer buiten, en als de dobbelaars door de beslagen ramen kijken, staat hij op de brug alsof er niets is gebeurd. Balthazar haalt een vaatdoek over de spoeltafel.

Ons

In de groentezaak aan de Korte Prinsengracht staat een rij van straat tot toonbank: Familie Labès – al vijftig jaar vers. Vader Toon begon de zaak, die nu door zijn zoons wordt gerund. De broers Labès; een knap, een lelijk. Op een drukke zaterdag als deze bijgestaan door echtgenotes en kinderen. Een joodse vrouw, lichaam als een dorre tak, grijs haar in een knotje, is aan de beurt. Ze wil een onsje cantharellen. “Een onsje cantharellen”, herhaalt de lelijke broer en schuifelt naar de paddenstoelen halverwege de winkel. “Een onsje cantharellen”, herhaalt hij nogmaals als hij terug is. Hij laat het onsje verdwijnen in haar geruite tas op wielen. “En een onsje oesterzwammen…” Hij schuifelt zijn heupen stuk en neuriet ondertussen Edelweiss uit The Sound of music. De joodse vrouw zegt: “Niets voor jou. Zo zoet.” De lelijke Labès haalt zijn schouders op: “Weet je hoe vaak ik ernaar heb moeten luisteren? Me vader heb die hersenbloeding gehad toch en wilde het toen elke dag horen.” Op de toonbank de blocnote waarop Labès de bestellingen noteert. Aan de muur een platenhoes van zijn overleden vader (Hallo, hallo, het groentemannetje van de radio) die zong op bruiloften en partijen. “Moet je weleens huilen als je de muziek hoort?” De lelijke Labès is even stil, slikt: “Nee, alleen als me vrouw meezingt.”

Koffie

Amsterdam druk? Niet op zondagochtend. De grachten zijn vrijwel verlaten. Koerende duiven, ruisende bladeren, verstild zonlicht. Tien uur: na een lange nacht ontwaakt de stad langzaam. Ook de klanten van ’t Smalle zijn nog niet helemaal wakker. Op het bankje naast de deur zit een hoogbejaarde met een enorme zonneklep over haar krant gebogen – de rozenstruiken boven haar hoofd al bijna uitgebloeid. Op het houten terras in de gracht een handvol anderen, zwijgend aan de koffie. Het geluid van kop en schotel is het enige dat je hoort. Totdat een opvallend stel aanschuift. Druk pratend, rokend. Tabaksgeur van het Midden-Oosten. Israëli’s, aan de gutturale keelklanken te horen. Hij bestelt een glas bier, zij na lang twijfelen een cappuccino. Als de serveerster terugkomt met de bestelling, vraagt hij wijzend op de kaart om Dutch breakfast. Twee vingers in de lucht. En of haar cappuccino kan worden ingeruild voor de koffie die bij het ontbijt is inbegrepen. Dat gaat niet, zegt de serveerster: “Ik heb ‘m al ingeschonken.” In plaats van dan? No sir, cappuccino is duurder. “I’ll pay extra for the damn milk!” De serveerster is al op weg naar binnen. Pissig pakt hij het speculaasje van het schoteltje en werpt het de gracht in.

Jurk

Een kazerneterrein midden in de Oeverlanden. Zo’n plek die je een volgende keer niet terugvindt, waarna je gaat twijfelen of je er wel geweest bent. Ik kom er door de muziek te volgen. Afrikaanse bassen dringen diep in het natuurgebied door. Het terrein ligt tussen de berken verscholen en is door onkruid overwoekerd. Een roestige Cadillac wordt gebruikt als kippenhok. Her en der liggen wrakken van boten. Een tanige man knapt in blote bast een sloep op. Lak en huid craquelé. De muziek stopt even, maar klinkt daarna weer, komend vanachter de kazerne. Ik loop om het gebouw heen en zie een groep Afrikaanse vrouwen dansen in felgekleurde jurken. Rond campingtafels zitten meer vrouwen, mannen en kinderen. Handenklappend. Een man in een hemelsblauw pak en witleren schoenen komt naar me toe met in zijn uitgestoken hand een blik Alfabier. Ik neem het aan na enig aandringen. Ze komen uit Ghana en wonen hier. Illegaal, vermoedelijk. Ik vind het niet gepast als passant op een feestje daarnaar te informeren. Alleen de vrijgezelle vrouwen dansen, zegt hij. Naar de gunsten van een man, wordt uit het vervolg van zijn verhaal duidelijk. Ik krijg nog een blik Alfa, een bord eten. Daarna nog een blik. Het is zwoel en schemerig. Een van de dansende vrouwen wenkt me.

Rust

Rust. Het staat overal op bomen en prullenbakken geplakte vellen geschreven. Pijl ernaast gekrast: die kant op. Die kant is de kant van de Bosbaan, die in nevelen is gehuld. Wat mist lijkt, is rook van een dansfeest dat op het grasveld langs de roeibaan wordt gehouden. Vanzelfsprekend weinig rust hier. Harde beats dreunen tot in mijn stuit door. Het feestgedruis gaat schuil achter schermen die rond het terrein zijn opgetrokken. Wat er bovenuit komt is gejoel en armen van springende feestgangers. Iedereen die naar binnen wilde, is blijkbaar binnen. Nul wachtenden voor de kassa, die bemand wordt door een brede gast met een getrimde baard, onderuitgezakt in een plastic tuinstoel. Het lange grindpad naar de ingang is leeg, los van een zwarte Cadillac met zacht dak en zes deuren. Motorkap onder het stof en dode vliegen. Op het kierende raam aan de bestuurderskant prijkt een ontheffing voor 22 RR GS. Na een kwartier niets stopt een hip stel op een vouwfiets ter hoogte van de limo. De jongen stapt van de bagagedrager en loopt de resterende vijftig meter naar de ingang. De baard kruipt uit zijn tuinstoel en ze voeren een gesprek. Ik zie hun lippen bewegen. Vervolgens gaat de jongen naar zijn vriendin om het besprokene met haar door te nemen. Zij duwt hem weer richting de baard, met wie hij opnieuw iets bespreekt. Ditmaal verhitter. Ik kijk even weg naar haar en zie hem daarna op de grond liggen. Hand aan de kin, pijnlijke blik. Terwijl hij overeind krabbelt, trapt de baard grind in zijn richting. De jongen snelwandelt naar zijn vriendin, die al wegrijdt, en probeert achterop te springen.

Paling

Regelmatig heb ik langs het Amsterdam-Rijnkanaal gereden, wensend dat ik naar de overkant kon. Weg van dat lange rechte stuk met populieren en eeuwig wind tegen. Op een dag was daar de Nesciobrug. Palingbrug in de volksmond. Van tien meter hoogte kronkelt hij aan weerskanten van het water naar beneden. Een hang-tuibrug speciaal voor voetgangers en fietsers, verbinding tussen IJ-burg en Diemen. Bewijs dat belastinggeld ook goed besteed wordt. Een tanker van Somtrans.be – onze vlag dekt uw lading – vaart er traag onderdoor. Een groep wielrenners rijdt langs het kanaal in tegengestelde richting. Letters van rood plakband op het asfalt onder hun wielen: A + i = ♥! Soms is een som simpel. Twee pubers wandelen over de brug, fiets in de hand, strandtas onder de snelbinders. De een draagt een hemdje, de ander een jurkje. De rolverdeling tussen beiden is duidelijk: het jurkje vertelt over jongens, het hemdje luistert en dagdroomt. Het duurt zeker een kwartier voor ze de tocht over de achthonderd meter lange paling hebben afgelegd. Daarna lopen ze langs het kanaal verder naar de ondergaande zon. Verhalen over jongens, het geklepper van slippers, een velg die over het asfalt schuurt.

Fin

Westerpark, avondzon. Op de ellebogen in het gras met uitzicht op de gasfabriek, het spoor naar Sloterdijk in de rug. Kinderen rennen in het schitterende water. Een boom van een kerel met blonde krullen steekt ver boven hen uit en waadt, bleke benen in sandalen, door het pierebad. Net als ik hem wil laten voor wat hij is, zet hij – in slow motion – een balletpas in. Armen in vleugelslag. Eén been hoog optrekkend, het andere ver achter zich. Dan het besef: hij fladdert iemand tegemoet. Extase op zijn gezicht. Rechts in beeld verschijnt het object van zijn paringsdans. Blootsvoets in een bloemenjurk. Ook haar ledematen zijn wimpels in een lentebries. Halverwege het veld springen ze in elkaars armen en draaien als zweefmolens rond. Het lijkt wel een film, denk ik, gevolgd door: dat is de bedoeling! Ze spelen de romantische oerscène die we allemaal 183 keer hebben gezien. Ik ook. Al herinner ik me op dit moment de voorbeelden niet. Ja, The Naked Gun met Leslie Nielsen, maar dat is een parodie. (Nielsen bespringt op het strand eerst de verkeerde vrouw en slaat daarna zijn arm, mislukte omhelzing, in het gezicht van liefje Priscilla Presley.) Ik kijk of anderen de voorstelling ook zien, maar het koppel naast me ligt net te lekker vozen. De Surinaamse daar kauwt op een stuk kip. Alsof het cut heeft geklonken is de scène in een klap over. Zij pakt haar gympen, hij doet zijn rugzak om en ze verdwijnen aan de horizon. Tegen het doek van de hemel in geschilderde letters: Fin.

Anne

In de rij voor Anne Frank. Niet voor het museum, maar voor haar standbeeld op het plein bij de Westerkerk. Stadsreiniging spuit de kasseien schoon, een man sleept de schilderijen die hij straks wil verkopen – Montmartrestijl – uit zijn Canta. Zondagochtend. De kramen voor vis en friet zijn dicht, voor Anne is het dringen. Een groep Italianen, Hella Haasse-achtige dames en veel Amerikaanse bejaarden op witte gympen. De meesten van hen komen net iets boven Anne uit, maar die staat op een sokkel van een meter. Eigenlijk is ze opvallend klein en tenger. Een Japans gezin komt uit de richting van de Rozengracht aangelopen. Zoon voorop als een hopman, met de stadsplattegrond in handen. Zijn tweelingzus volgt hem op de voet. Beiden ongeveer Anne’s lengte, als ze niet op die sokkel stond. Ingetogen lachend poseren ze aan weerskanten. Als ze alweer afscheid van haar hebben genomen, filmt de vader door. Van boven tot onder iets filmen dat stilstaat, het heeft iets tegenstrijdigs. Hij is nog bezig als een stel Engelsen zich rond het beeld groepeert. Opgewonden. Alsof ze met Katie Price of een ander model op de foto mogen. Armen rond haar schouders, gejoel. Een van de mannen pakt Anne bij haar bronzen borsten, die in het echt ook nooit zijn volgroeid.

Mutu

Bij de torso van Multatuli staat een vrouw gebogen over haar huurfiets. Man keurend ernaast. Toeristen, van verre aan hun Yellow bike te herkennen. Handig omdat je ze van tevoren kunt ontwijken, maar voor hen is het een brandmerk. Een beetje Amsterdammer heeft de pest aan hondenpoep, duiven en toeristen. Daarom probeer ik af en toe vriendelijk te wezen. Als ze ziet dat ik kijk, maakt ze een handgebaar. Geen perfecte wenk, maar het is duidelijk dat ze wat wil. Ik stap erop af en geef een hand, die zij beduusd beetneemt. Het jonge koppel is Roemeens, aan zijn t-shirt te zien. Het geel van de nationale ploeg: Mutu, nummer 10. Zij een strak hemdje en schouders die vervellen. Huidschilfers worden meegenomen door de straffe wind. Zelfs het bronzen haar van Multatuli waait, alleen in tegengestelde richting. Ze wijst naar haar achterwiel en lacht haar tongpiercing bloot, hij lijkt wat in de gracht te zoeken. Ik ben beducht op een lekke band of ander mankement, maar vind niets. Dan dringt tot me door wat ze bij herhaling in gebroken Engels probeert te zeggen. Licht? Ik knik richting voorwiel. Alle Roemeense clubs heten Dinamo, maar blijkbaar hebben ze nog nooit zo’n ding gezien. Ik druk mijn duim op het palletje en gehoorzaam springt de spoel tegen het wiel, dat ik optil en een zwiep geef. In haar ogen voltrekt zich een wonder en zelfs hij lijkt nu onder de indruk. Alsof het niets is activeer ik ook zijn verlichting. Wat volgt is een uitgebreid handen schudden en een golf dankbetuigingen, waarin ik alleen multumesc herken. De rest klinkt ook vriendelijk. Als er geen eind aan dreigt te komen, maak ik duidelijk dat het laat begint te worden. Ik duw haar nog even op gang en volg tevreden hun aftocht. Twee bruggen verder zwaait mijn Roemeense nog.