Ni

Hij staart naar de katten die als mamushka’s voor het raam staan. Ze zwaaien met hun rechterpootjes en maken het geluid van ruitenwissers. De monotonie voert hem voorbij zijn gedachten tot een kreet vanachter het gordijn hem terugbrengt naar de menukaart in zijn schoot. Zijn vinger gaat langs de namen en houdt dan stil. Hij wijst naar een foto en kijkt omhoog. “Kaan, graag.” “Geen Kaan”, zegt de vrouw met een brede lach. “Wel Ni.” Hij knikt en volgt haar de gang in die wordt gevormd door aan weerszijden hangende gordijnen. Aan het eind ervan wacht Ni. Ze vouwt haar handen samen, maakt een buiging en verzoekt hem te volgen. “Clothes off”, zegt ze schuw. Hij neemt de kleine ruimte in zich op: de mat met het bloemenkussen op de grond, het palmenstrand aan de muur, het stopcontact dat uit de oceaan opduikt. Ni drukt op de pomp van een op een kruk rustende emmer, het soort waar in een snackbar mayonaise uit komt. Ze smeert de olie eerst uit over haar handen en dan op zijn rug. “You hurt?” Ni heeft weinig meer gedaan dan strelen. Hij draait zijn hoofd vragend om. “You hurt?” Heeft hij het toch goed gehoord. “No, i’m fine.” Terwijl hij het zegt, begrijpt hij wat ze bedoelt: het litteken dat rond zijn biceps loopt, als een rits waarmee je de onderarm kunt afdoen. Ni aait het litteken als was het een gewond huisdier. “I was hurt”, zegt hij en zucht. “But now i’m fine.”

Geef een reactie