Jos

De zondagochtend is er voor wie die de stad voor zichzelf hebben wil. Zwijgende gevels, verlaten straten. Ook het weer respecteert de zondagsrust: het is windstil en mistig. De bomen van het Frederik Hendrikplantsoen zijn teruggebracht tot abstracte vegen. Mist. Het stemt tot nadenken, tot naar binnen- of achteromkijken, zo je wilt. Doordat je weinig vóór je ziet, is de meest voor de hand liggende verklaring. Ik denk aan de ochtenden dat ik rond deze tijd zelf nog in bed lag, de soms al schemerende nachten dat ik ernaar op weg was, en de vogels die dan kwetterden in het plantsoen. Druk en opgewonden, alsof het voor hen ook een uitgaansnacht betrof. Het was jarenlang het geluid waarmee ik thuiskwam en heel soms is er nog zo’n nacht van uit- en door het plantsoen naar huis gaan, maar gekwetter hoor ik niet meer. Niet het minste vogelgeluid. Nu ook niet trouwens. Een raadsel dat ook tot nadenken stemt, al is het niet lang, want wat moet je ervan denken? Mijn blik dwaalt af naar de panden aan de rand van het plantsoen, waar op nummer 49 een man het balkon opkomt, zijn gewrichten roestig van tachtig jaar mistige dagen als deze. “Hé Jos, hoe is het?” De bovenbuurman, vanaf zijn balkon. Jos denkt dat de stem van beneden komt en buigt zich over de reling: niemand. Ook niet als hij dieper buigt. Als hij tenslotte naar boven kijkt, is de buurman alweer verdwenen. Jos doet hetzelfde, zijn lichaam van opzij een vraagteken.

Geef een reactie