Glas

Een koude, natte decemberdag. Op de brug van de Korte naar de Lange Niezel staat iemand doorweekt te worden. Sluik haar, mager postuur. Zijn blik is leeg, net als zijn spijkerbroek. Dat wil zeggen: geen vlees op de botten. Weggeteerd door drugs en alcohol. De laatste junk op wat eens, voor de schoonveegacties op de Wallen, de junkenbrug werd genoemd. In café Emmelot is het van de weeromstuit een bejaardensoos: dampend warm, beslagen ramen. Aan de toog een paar stamgasten. Ze krijgen drank van Balthazar en muziek van Hazes. In een hoek van de kroeg is een stel mannen aan het dobbelen. Het werpen gaat stroef door het Perzische kleed op tafel. De stenen rollen tussen bierviltjes en jeneverglazen. Wie verliest moet de drank betalen die ad fundum achterover wordt geslagen. Als na een rondje de geleegde glazen op tafel worden gezet, komt de junk van de brug wankel binnen rennen. Hij grist een glas van tafel, stopt het in zijn spijkerjack en roept: “Een warm bad is als een tweede moeder!” Voordat iemand kan reageren, is hij weer buiten, en als de dobbelaars door de beslagen ramen kijken, staat hij op de brug alsof er niets is gebeurd. Balthazar haalt een vaatdoek over de spoeltafel.

Geef een reactie