Trouw

Zo’n uitspraak waarbij je een tekening voor je ziet van Peter van Straaten. Bij café Welling afkomstig van een man, in antwoord op de verwijten van zijn echtgenote: “Ik heb gewoon tijd voor mezelf nodig.” Een vermoeide blik, gezet met enkele pennenstreken. Zij: “Dat begrijp ik, dat heb ik ook, maar niet als we samen aan tafel zitten.” Hij staart in de verte. Zij eerst naar hem en dan in haar whisky. Een grijzend echtpaar dat op elkaar is uitgekeken. “Accepteer dat ik soms niet aan het gesprek deelneem. Dat is toch niet zo erg?” Zij: “Wel als je met je rug naar me toe gaat zitten.” Ze laat een stilte vallen. “Om andere vrouwen te bewonderen.” Hij, zuchtend: “Dat ik niet mag genieten van wat voorbijkomt, daar heb ik moeite mee. Heel veel moeite.” Door het gordijn voor de deur komt een donkere vrouw in een korte zwarte jurk binnen. De man zit met zijn rug naar haar toe, maar ik denk dat hij dit bedoelt met genieten. Terwijl zijn vrouw zich ditmaal blijvend in stilte hult, bestelt hij de rekening en vraagt: “Zijn we wat dichter tot elkaar gekomen?”

Tram

Jaren in de buurt gewoond en eraan voorbijgelopen. Kijkend met de ogen van een toerist, komend van de andere kant van de stad, viel de doorgang onder het Haarlemmermeerstation me wel op. Erachter school een rafelrand met hangars, keten en schuren, omgeven door autowrakken, blote buiken en bankstellen. Een haan kraaide op een roestig bord met de tekst: Aanraken der draden levensgevaarlijk! Waarschuwing voor de bovenleiding van de tram, die halverwege de Oude smitgracht bij de halte stond. Lakhouten carrosserie uit de tijden van De Avonden. De ramen werden gelapt door een man in overall, een spons verdween in een zinken emmer. Op de treeplank keek een conducteur toe die ontsnapt was uit een zwart-wit fotoboek. Scherpe scheiding in haar en pantalon, in de rechterhand een dienstkoffer. Met een Polygoonstem informeerde hij of ik wilde meerijden en een plaatsbewijs bezat. Hij lachte meewarig toen ik een chipkaart tevoorschijn haalde. Toch mocht ik als enige passagier mee met lijn 30, die jankend richting Amstelveen vertrok. Ik heb de Oude smitgracht, die op de stadskaart niet bestaat, daarna vaker bezocht. Het gras woekerde gestaag tussen de rails, alles was bij het oude, maar de conducteur en lijn 30 zag ik niet.

Simon

’s Ochtends in het Vondelpark wijst weinig op de oranje vloedgolf die de stad zal gaan overspoelen. De wedstrijd is even ver weg als voor iemand op Bali of de Galapagos. Lavendel, turkoois, goudgeel, olijfgroen: jurkjes in alle kleuren komen voorbij, behalve die ene. Half slapend onder een boom hoor ik iemand España, España roepen. Geen droom, maar een kogelronde man die rondrijdt op een wrak van een fiets. Later wat tumult rond de bank waar zwervers en dronkenmannen samenscholen. Een zet een karatetrap á la Van Gaal in, maar mist zijn tegenstander volledig en landt met zijn rug in het grind. Vervolgens is het weer just another day in the park tot een paar uur voor de wedstrijd. ’s Nachts, als het oranje langzaam is weggeëbd, rijd ik na een memorabele overwinning weer door het park naar huis en passeer twee laveloze, benevelde types, die aan weerskanten van het pad zitten, schuine streep liggen. De een roept met Spaanse tongval Madríd, Madríd, Madríd! De ander gaat er tegenin met: Dirk van den Broek, Dirk van den Broek! En net als de een weer Madríd aanheft: Simon de Wit!

Rust

Rust. Het staat overal op bomen en prullenbakken geplakte vellen geschreven. Pijl ernaast gekrast: die kant op. Die kant is de kant van de Bosbaan, die in nevelen is gehuld. Wat mist lijkt, is rook van een dansfeest dat op het grasveld langs de roeibaan wordt gehouden. Vanzelfsprekend weinig rust hier. Harde beats dreunen tot in mijn stuit door. Het feestgedruis gaat schuil achter schermen die rond het terrein zijn opgetrokken. Wat er bovenuit komt is gejoel en armen van springende feestgangers. Iedereen die naar binnen wilde, is blijkbaar binnen. Nul wachtenden voor de kassa, die bemand wordt door een brede gast met een getrimde baard, onderuitgezakt in een plastic tuinstoel. Het lange grindpad naar de ingang is leeg, los van een zwarte Cadillac met zacht dak en zes deuren. Motorkap onder het stof en dode vliegen. Op het kierende raam aan de bestuurderskant prijkt een ontheffing voor 22 RR GS. Na een kwartier niets stopt een hip stel op een vouwfiets ter hoogte van de limo. De jongen stapt van de bagagedrager en loopt de resterende vijftig meter naar de ingang. De baard kruipt uit zijn tuinstoel en ze voeren een gesprek. Ik zie hun lippen bewegen. Vervolgens gaat de jongen naar zijn vriendin om het besprokene met haar door te nemen. Zij duwt hem weer richting de baard, met wie hij opnieuw iets bespreekt. Ditmaal verhitter. Ik kijk even weg naar haar en zie hem daarna op de grond liggen. Hand aan de kin, pijnlijke blik. Terwijl hij overeind krabbelt, trapt de baard grind in zijn richting. De jongen snelwandelt naar zijn vriendin, die al wegrijdt, en probeert achterop te springen.

Hart

“I don’t understand the Dutch.” Drs. Pakasa heeft de man tegenover hem in de coupé een hand en een visitekaartje gegeven en is aan een monoloog begonnen. Over zijn wieg in Congo, zijn hoogleraarschap in Leiden en de vlucht die hem straks van Schiphol naar zijn geboorteland brengt. “Mijn moeder heeft een vrouw voor me gevonden. Van mij hoeft het niet meer, maar je zegt geen nee tegen je moeder.” Pakasa trekt zijn schoenen uit en nestelt zijn geitenwollen voeten comfortabel naast de man op de zitting. “Waarom wilt u geen vrouw meer?” “Ik heb vijf vrouwen. Dat is meer dan genoeg.” Pakasa zucht en begint een pijp te stoppen. “Bent ú getrouwd?” De man schudt. Pakasa knikt. “Ik don’t understand the Dutch. Ik woon hier sinds 1983, maar de Nederlandse identiteit ken ik nog steeds niet.” Pakasa sabbelt aan een pijp die niet aangestoken is. Tabak dwarrelt door de lucht. “De Nederlandse identiteit bestaat misschien wel niet. We’re only a small country.” “I totally disagree”, zegt Pakasa. “Jullie zijn een groot land. Jullie hebben de zeeën bevaren en de wereld veroverd.” Opnieuw regent het tabaksnippers. “Dat was eeuwen geleden. Over jullie ruggen.” De pijp van Pakasa is uit, maar zijn ogen branden. Langzaam en driftig tegelijk knoopt hij de boord van zijn hemd los, rukt het open en wijst met de pijp naar een enorm litteken. “Vakwerk, volgens een Duitse arts die ik laatst sprak in Hannover.” Met een knokkel tikt hij hard tegen zijn onderhuidse pacemaker. “Van een Nederlandse chirurg!”