Ni

Hij staart naar de katten die als mamushka’s voor het raam staan. Ze zwaaien met hun rechterpootjes en maken het geluid van ruitenwissers. De monotonie voert hem voorbij zijn gedachten tot een kreet vanachter het gordijn hem terugbrengt naar de menukaart in zijn schoot. Zijn vinger gaat langs de namen en houdt dan stil. Hij wijst naar een foto en kijkt omhoog. “Kaan, graag.” “Geen Kaan”, zegt de vrouw met een brede lach. “Wel Ni.” Hij knikt en volgt haar de gang in die wordt gevormd door aan weerszijden hangende gordijnen. Aan het eind ervan wacht Ni. Ze vouwt haar handen samen, maakt een buiging en verzoekt hem te volgen. “Clothes off”, zegt ze schuw. Hij neemt de kleine ruimte in zich op: de mat met het bloemenkussen op de grond, het palmenstrand aan de muur, het stopcontact dat uit de oceaan opduikt. Ni drukt op de pomp van een op een kruk rustende emmer, het soort waar in een snackbar mayonaise uit komt. Ze smeert de olie eerst uit over haar handen en dan op zijn rug. “You hurt?” Ni heeft weinig meer gedaan dan strelen. Hij draait zijn hoofd vragend om. “You hurt?” Heeft hij het toch goed gehoord. “No, i’m fine.” Terwijl hij het zegt, begrijpt hij wat ze bedoelt: het litteken dat rond zijn biceps loopt, als een rits waarmee je de onderarm kunt afdoen. Ni aait het litteken als was het een gewond huisdier. “I was hurt”, zegt hij en zucht. “But now i’m fine.”

Jos

De zondagochtend is er voor wie die de stad voor zichzelf hebben wil. Zwijgende gevels, verlaten straten. Ook het weer respecteert de zondagsrust: het is windstil en mistig. De bomen van het Frederik Hendrikplantsoen zijn teruggebracht tot abstracte vegen. Mist. Het stemt tot nadenken, tot naar binnen- of achteromkijken, zo je wilt. Doordat je weinig vóór je ziet, is de meest voor de hand liggende verklaring. Ik denk aan de ochtenden dat ik rond deze tijd zelf nog in bed lag, de soms al schemerende nachten dat ik ernaar op weg was, en de vogels die dan kwetterden in het plantsoen. Druk en opgewonden, alsof het voor hen ook een uitgaansnacht betrof. Het was jarenlang het geluid waarmee ik thuiskwam en heel soms is er nog zo’n nacht van uit- en door het plantsoen naar huis gaan, maar gekwetter hoor ik niet meer. Niet het minste vogelgeluid. Nu ook niet trouwens. Een raadsel dat ook tot nadenken stemt, al is het niet lang, want wat moet je ervan denken? Mijn blik dwaalt af naar de panden aan de rand van het plantsoen, waar op nummer 49 een man het balkon opkomt, zijn gewrichten roestig van tachtig jaar mistige dagen als deze. “Hé Jos, hoe is het?” De bovenbuurman, vanaf zijn balkon. Jos denkt dat de stem van beneden komt en buigt zich over de reling: niemand. Ook niet als hij dieper buigt. Als hij tenslotte naar boven kijkt, is de buurman alweer verdwenen. Jos doet hetzelfde, zijn lichaam van opzij een vraagteken.

Jurk

Een kazerneterrein midden in de Oeverlanden. Zo’n plek die je een volgende keer niet terugvindt, waarna je gaat twijfelen of je er wel geweest bent. Ik kom er door de muziek te volgen. Afrikaanse bassen dringen diep in het natuurgebied door. Het terrein ligt tussen de berken verscholen en is door onkruid overwoekerd. Een roestige Cadillac wordt gebruikt als kippenhok. Her en der liggen wrakken van boten. Een tanige man knapt in blote bast een sloep op. Lak en huid craquelé. De muziek stopt even, maar klinkt daarna weer, komend vanachter de kazerne. Ik loop om het gebouw heen en zie een groep Afrikaanse vrouwen dansen in felgekleurde jurken. Rond campingtafels zitten meer vrouwen, mannen en kinderen. Handenklappend. Een man in een hemelsblauw pak en witleren schoenen komt naar me toe met in zijn uitgestoken hand een blik Alfabier. Ik neem het aan na enig aandringen. Ze komen uit Ghana en wonen hier. Illegaal, vermoedelijk. Ik vind het niet gepast als passant op een feestje daarnaar te informeren. Alleen de vrijgezelle vrouwen dansen, zegt hij. Naar de gunsten van een man, wordt uit het vervolg van zijn verhaal duidelijk. Ik krijg nog een blik Alfa, een bord eten. Daarna nog een blik. Het is zwoel en schemerig. Een van de dansende vrouwen wenkt me.

Fin

Westerpark, avondzon. Op de ellebogen in het gras met uitzicht op de gasfabriek, het spoor naar Sloterdijk in de rug. Kinderen rennen in het schitterende water. Een boom van een kerel met blonde krullen steekt ver boven hen uit en waadt, bleke benen in sandalen, door het pierebad. Net als ik hem wil laten voor wat hij is, zet hij – in slow motion – een balletpas in. Armen in vleugelslag. Eén been hoog optrekkend, het andere ver achter zich. Dan het besef: hij fladdert iemand tegemoet. Extase op zijn gezicht. Rechts in beeld verschijnt het object van zijn paringsdans. Blootsvoets in een bloemenjurk. Ook haar ledematen zijn wimpels in een lentebries. Halverwege het veld springen ze in elkaars armen en draaien als zweefmolens rond. Het lijkt wel een film, denk ik, gevolgd door: dat is de bedoeling! Ze spelen de romantische oerscène die we allemaal 183 keer hebben gezien. Ik ook. Al herinner ik me op dit moment de voorbeelden niet. Ja, The Naked Gun met Leslie Nielsen, maar dat is een parodie. (Nielsen bespringt op het strand eerst de verkeerde vrouw en slaat daarna zijn arm, mislukte omhelzing, in het gezicht van liefje Priscilla Presley.) Ik kijk of anderen de voorstelling ook zien, maar het koppel naast me ligt net te lekker vozen. De Surinaamse daar kauwt op een stuk kip. Alsof het cut heeft geklonken is de scène in een klap over. Zij pakt haar gympen, hij doet zijn rugzak om en ze verdwijnen aan de horizon. Tegen het doek van de hemel in geschilderde letters: Fin.

Taxi

Een stel Pakistanen op een snikhete zondag in een afgelegen havengebied. Voor ik me kan afvragen wat ze hier zoeken, word ik aangehouden. “Taxi?” Ik weet niet precies wat ik de man in het bezwete hemd moet antwoorden. “Can you call us a taxi, please?” Ah. Ik leg de situatie uit aan de juffrouw van de centrale. Een taxi voor een stel Pakistanen alstublieft. Adres onbekend. Voor de vuilverbrandingsoven in Westpoort. Ongeveer. Ik stuur iemand, zegt ze. Aan haar stem hoor ik dat ze het niet echt ziet zitten. “Wait here”, gebied ik de Pakistanen en rijd door. Langs opslagtanks voor olie, bergen kolen, rokende ovens. Het asfalt trilt in de avondzon. In het dorre gras staan iele iepen. Bladstil. Zelfs de windmolens snakken naar een zucht. Dit havengebied is stiller dan de natuur. Omdat normaal de herrie overheerst misschien. Een scooter maakt een eind aan de rust. Twee helmloze meisjes laten hun haar los. Een kwartier later dendert een van voorbij op een onverhard stuk. Hondengeblaf in de laadbak, alsof er een heel kennel in zit. Tenslotte alleen nog een stofwolk aan de horizon, waar ook de terminals staan waarvoor de stad miljoenen heeft opgehoest. Of die inmiddels zijn terugverdiend, weet ik niet, maar deze metalen dinosauriërs zijn schitterend en dat mag best wat kosten. Ik rijd er naartoe en ga in het gras langs de kade zitten. In het Noordzeekanaal ligt een tanker. Roerloos, zo lijkt het. Wanneer ik later nog eens kijk, is hij dichterbij gekropen. Ik sluit mijn ogen en vraag me af hoe het met de Pakistanen is.

Melk

Een horde moslims in een weiland. Ergens in het nergens, halverwege Halfweg. Opgesteld in een slordige rij, met emmers, potten, pannen en flessen. Hun auto’s geparkeerd in de berm van de smalle binnenweg. Sommigen praten wat, anderen wachten rustig. Op de achtergrond raast het verkeer op de N200. Een vrouw met brede heupen en twee Coca Cola-flessen is aan de beurt. Ze levert de flessen in bij de boer, die de kraan opendraait en de melk erin laat stromen. Verse melk. Daar is in dit geval niets aan gelogen. De damp komt er vanaf. Rechtstreeks getapt van de koe, met de machine, dat wel, komend uit een roestige ovalen opslagtank op wielen. Door een simpele buitenkraan, zoals je er miljoenen vindt in tuinen, aan de muur naast de keukendeur. Vijftien kloeke, zwartbonte meiden heeft de boer. Samen goed voor zo’n zestig liter. Gezien de grote opkomst, is het de vraag of dat genoeg is. De rimpelige oude baas die hierna aan de beurt is, heeft een jerrycan die gevuld moet worden. “Halal zeker?”, vraag ik aan de man die de rij afsluit. Hij geeft me en hand en lacht. “Nee, gewoon lekker! Als je het een paar dagen laat staan, is het dik als boter.”

Oester

Ik wacht op mijn beurt bij de Sleutelkluis in de Kinker. Wat moest gebeuren is gebeurd: dichte deur terwijl de sleutels nog op tafel liggen. Een vriend met vergelijkbare ervaringen gaf me het nummer van Lorenzo. Die had de deur met een vel papier en een schouderduw in no time open. Daarna volgde de rekening en begon ik aan reservesleutels te denken. Als een studentikoze vrouw de zaak verlaat met een fietsketting (merk No crack), schuifelt een stel bezwete mannen naar voren. Met vereende krachten wordt een roze Samsonite op de balie getild. “We hebben ‘m al jaren, maar nu wil hij niet open.” Aan de andere kant blijft het stil. “We moesten gelijk aan jou denken.” Een stel bezwete mannen. Armeens uiterlijk. Cypriotisch misschien. De een ongeschoren, de ander kringen rond de ogen. Een beetje tot mijn schaamte vertrouw ik het ook niet. Of ze de code kwijt zijn, wil meneer Sleutelkluis weten. “Nee. 3-3-7. Werkt niet.” De specialist beproeft de combinatie. Ondertussen krijgt hij te horen dat de mannen net terug zijn van vakantie. En ze wonen om de hoek. “Misschien is de code verschoven.” Geknik, daarna even niets. De specialist legt zijn oor tegen het slot en morrelt nog een keer. Dan zegt hij dat hij weinig meer kan doen. Als de mannen naar de beitels wijzen aan de muur, zegt meneer Sleutelkluis dat hij daar niet aan begint. Even lijkt er sprake van een patstelling, dan blazen de buurtgenoten beleefd de aftocht. Over de rand van het reclamebord – De Sleutelkluis dat zijn wij! – zie ik ze met de koffer over straat zeulen. Vlakbij hun Toyota klapt de roze oester open. Hemden, djellaba’s en ander wasgoed buitelt op de grond.

Bus

De wind schuift plastic bekers door de Van Hallstraat, die met scherven en vuurwerkresten bezaaid is. Purperen tapijt, glinsterend in kil maanlicht. Op de hoek bij de brug wachten drie Surinaamse vrouwen op lijn 21. De jongste leunt tegen het raam van het bushok dat níet gesneuveld is. Glas bleek van nachtvorst, toch heeft ze haar jas niet dichtgeritst. Ze gunt verkleumde passanten het hartverwarmende zicht op haar boezem. Zeg maar rustig voorgevel. Het kettinkje met haar naam – Wonny – ligt er bovenop. De andere vrouwen hebben hun wollen jassen wel dicht tot de kin. Een draagt een muts, de ander een bos grijze krullen. Het zouden Wonny’s moeder en oma kunnen zijn, een oudere tante misschien. Ze praten druk met elkaar, terwijl Wonny verveeld op haar kauwgum kauwt en aan de overkant van de straat een man oversteekt. Blauw trainingsjack, kale kop – uitgezonderd een krans vette slierten. Eigenlijk is het geen oversteken. Hij probeert het, maar zijn pas is de dans van een dronkenlap. Stap voorwaarts, driekwart achterwaarts. Het lijkt een eeuwigheid te duren. Ondertussen ontgaat hem het gebrom op de achtergrond. Vanaf het Frederik Hendriksplantsoen nadert lijn 21. Pas als de koplampen vol op hem gericht zijn, dringt het tot hem door: een ruimteschip. Als een verlamd konijn staart hij in het licht. De chauffeur probeert hem te ontwijken en koerst af op het bushok. Met jankende remmen zet hij de bus stil. Gegil. Onder de wielen ligt een tas van Dirk van den Broek met geplette boodschappen, maar de Surinaams vrouwen zijn ongedeerd. Wonny kauwt op haar kauwgum en schikt haar boobies. De anderen kijken geschrokken rond. De Van Hall is leeg en donker.

Bloed

De straatverlichting brandt nog als ik een espresso bestel bij Westers. Elf uur in de ochtend. De ambtenaar die over het licht gaat, heeft zich verslapen. Of voorzag dat het een donkere dag zou worden. Regen spat uiteen op de tafels op de stoep. Ook de man die stug bleef doorroken, komt nu binnen. “Je snor is zeiknat”, zegt Alma, terwijl ze mij van espresso voorziet. Ze draagt een zwart truitje met v-hals. Voor én achter. Terecht. Ook haar rug mag worden gezien. Willem haalt een hand door de marmot onder zijn neus, schudt de druppels af en bestelt een bloody mary. Radio 1 meldt de liquidatie van een Surinamer in Buitenveldert. Het slachtoffer, een bekende van de politie, is volgens de laatste mode omgebracht met een machinegeweer. Een getuige vergelijkt het geluid met het omkiepen van een bak grind. Daarna komt de buurman van het slachtoffer aan het woord: “Ik ga naar beneden en denk ‘krijg nou wat!’ Zie ik hem op straat liggen, met acht gaten in zijn lichaam.” Als de weersverwachting begint, zet Alma het geluid uit. Dat verhaal kennen we. Willem zegt dat hij Buitenveldert ondanks de vele afrekeningen veiliger vindt dan deze buurt, want “daar molt het gajes elkaar en niet de juwelier.” Met beslagen bril tast hij naar zijn bloody mary en slaat deze in een teug achterover.