Suzy

“Zoals ze me betastte, zó professioneel…” Van de gespreksflarden die langswaaien, blijft deze hangen – zoals een dwarrelend blad dat kan, aan een jas of een trui. De flarden komen van rechts, waar twee dames opgaan in hun worteltaart en hun gesprek. Het praten en gebaren, het schikken en opprikken van de taart: het gaat allemaal met de achteloosheid van jarenlange ervaring. Ze zijn dan ook al ruim voorbij de vijftig. En ze zijn leraressen Spaans, wordt me later duidelijk. De een draagt een roze zonnebril, de ander een blauwe. Ja, waarom niet? Zon overspoelt het terras van ’t Sluisje in Noord en de roze bril voert het hoogste woord over haar ervaringen op de Madrileense luchthaven. “Professioneel en menselijk tegelijk, was ze. Ik was zwaar onder de indruk. Zoals ze me betastte, overal hè. Zonder dat ik er naar van werd, zonder seksuele lading, zonder…” De blauwe bril kauwt op haar taart en knikt uitnodigend. De roze begint over Suzy, die laatst ook werd gefouilleerd en zich vervolgens helemaal uit moest kleden. “Suzy is heel wantrouwend. Dan roep je het af over jezelf.” Roze geeft Spaans, maar spreekt zalvend als een yogalerares. Ze is zen en heeft zelfs zonder haar bril een positieve kijk op dingen. “Weet je wat?”, vervolgt ze, “Ze keek me aan met van die donkere ogen en liet me gewoon doorlopen!” Blauw slikt een hap weg en zegt: “Ook wel weer jammer ergens.”

Olga

Ze zoekt oogcontact en als ik niet wegkijk, zegt ze: “Mag ik iets vragen?” Haar stem is zacht, haar blik die van de geslagen hond. “Om vannacht te kunnen slapen bij het Leger des Heils heb ik een-vijfenzeventig nodig.” Ik trek mijn handschoenen uit en haal twee euro tevoorschijn. Ze bedankt zonder veel nadruk. Als ik even later omkijk, zie ik haar net als de meeuwen rondcirkelen op de Buiksloterweg, hopend op een gift van de pontgangers. Haar passen zijn wankel, haar gympen enorm. De trenchcoat die ze draagt is ook te groot. Tezamen met het uitgezakte haar en gezicht, maakt het een droevige indruk. Toch denk ik niet dat ze aan de drank of drugs is. Ze komt me voor als een ongelukkige huisvrouw, een fletse versie van Olga Zuiderhoek, die door een speling van het lot aan lager wal geraakt is. Als ik anderhalf uur later uit een van de zalen van het Filmmuseum kom, hangt ze onveranderd rond bij de pont. De zon is verdwenen achter het station en het is nog kouder geworden. Ze benadert tevergeefs een paar mensen die van de overkant komen en moet rennen om mij aan te spreken voor ik ernaar terugkeer. “Mag ik iets vragen?”, zegt ze half struikelend. “Om vannacht te kunnen slapen bij het Leger des Heils heb ik een-vijfenzeventig nodig.” “Ik heb je daarstraks twee euro gegeven.” Ze is sprakeloos en haar gezicht trilt. “Sorry, dat was ik even vergeten.”

Tong

“Ik kom eigenlijk nooit in Noord”, zegt de vrouw. “Daar mis je weinig aan”, antwoordt de marktman, terwijl hij een aanbieding van zes flessen shampoo in haar tas stopt. “Behalve mij natuurlijk.” Helemaal ongelijk heeft hij niet, wat dat weinig missen betreft. De markt op het Mosveld maakt met zijn lege paden en gebakken vislucht een troosteloze indruk. Net als de marktman zelf overigens met zijn grove huid en rotte tanden. Een zwerfster in trainingspak vraagt hem wat kleingeld. “Als ik kleingeld heb, dan geef ik het aan mijn kinderen!” Daarna tegen niemand in het bijzonder: “Ze loopt altijd te bietsen, laat haar werk zoeken.” Niemand reageert. De Turkse vrouwen richten zich op de voordeelverpakkingen tandpasta en pompzeep, een Vietnamese met een bosje anjers rookt stoïcijns haar sigaret en spuwt op de grond. “Koud”, zegt ze. Ze draagt weliswaar een korte bontjas, maar is in haar knielaarzen gestapt met blote benen. “We kunnen je wel even opwarmen hoor”, zegt de marktman met zijn grove huid en rotte tanden. De Vietnamese gaat met haar tong langs haar lippen: “Fifty euro.” Rook kringelt uit haar neusgaten. “Zes flessen shampoo.”