Sneeuw

Het heeft gesneeuwd. Een weersomstandigheid die bij onze spoorwegen direct voor paniek zorgt. Blijf niet wachten op een trein, luidt het advies. Ik doe het toch, tegen beter weten en de woorden van de omroeper in. Als er eindelijk een trein komt, is deze stampvol. Mensen met tassen, koffers, honden. Een oude, hijgerige herder pist de gang onder. Hoge nood, zegt zijn baas terwijl ik hem om te dweilen het economiekatern van de krant geef. Mensen zoeken elkaar op in dit soort omstandigheden. Gedeelde smart is halve. Faye (24, student, brunette) heeft geen idee hoelang ze al onderweg is. Ze mist haar vriend en frunnikt nerveus aan haar leren handschoen. Duke (33, gospelzanger, Kaapverdië) gelooft dat Craig (51, zakenman, gleufhoed) zijn vlucht nog kan halen, als hij nu begint met bidden. In de gangpaden circuleren geruchten over reizigers van wie niets meer is vernomen: gestrand in Oss, of Zutphen. We rijden stapvoets door een besneeuwd landschap, langs Noorse fjorden, Russische toendra’s, een rangeerterrein in Alaska. De man die lang verdiept was in zijn Playboy (60, aftershave van muffe jassen, zweet en alcohol) laat een fles wodka rondgaan. Er wordt gelachen, gehuild, gevreeën  en gedronken en na drie en halve week, als niemand er meer op rekent, bereiken we eindelijk onze bestemming. Op het stationsplein steek ik juichend mijn armen in de lucht. Zegt de ene Jordanees tegen de ander: “Wat loop je nou te rennen, man?”  “Laat me. Als ik zachies loop, ga ik glijen.”

Tas

Pas op, op dit station zijn zakkenrollers actief! Telkens als deze waarschuwing in vier talen door de stationshal galmt, denk ik: als je dat weet, pak ze dan op! Dit is zoiets als waarschuwen voor een natte vloer omdat je geen zin hebt te dweilen. Afijn. Het is zondagochtend. Helder licht valt in banen door de overkapping, het gevleugelde wiel erbovenop schittert in de zon en van spoor 1 vertrekt de trein van 18 over 11 naar Haarlem on the dot: los van die actieve zakkenrollers dus geen vuiltje aan de lucht. Een Chinese Surinamer met gepommadeerd haar en een krulsnor leest De Avonden van Gerard Reve en heeft een rozenkrans vast, die een eigen leven leeft tussen zijn vingers. Naast hem zit een dame van zekere leeftijd met het haar van Marlene Dietrich: veel lak, veel make-up, veel opsmuk. Passen Sie auf, an dieser Station arbeiten Taschendiebe! Zodra ze de oproep hoort, kijkt ze naar de Chinese Surinamer, pakt haar handtas, die tussen hen in staat, en klemt deze tegen zich aan op haar kokette schoot (terwijl haar in mantelpak gestoken bips voorzichtig bij hem wegkruipt). De Chinese Surinamer kijkt op zijn beurt naar Dietrich, pakt zijn aktetas en doet perfect gespiegeld hetzelfde.

Dolly

Door de jaren heen heb ik een band gekregen met de mannen van de stalling. De broer van Morgan Freeman die me altijd een wat ongemakkelijk gevoel geeft als hij ter begroeting buigt en heer zegt. De oude hippie uit San Francisco met wierook en Delftsblauw bord. Hij biedt het wisselgeld erop aan, in de hoop dat iemand wat laat liggen. En de kleine met zijn bierbuik. Leren gilet, sigaar in de mond. Altijd kankerend. Omdat er gefietst wordt in zijn stalling. Of omdat iemand oude bonnen op de fiets heeft laten zitten, waardoor er geen plek is voor nieuwe. Meestal scheurt hij ze eraf, begeleid door een reprimande. Vandaag niet. Terwijl er genoeg zondaars de stalling binnen komen fietsen. Op de vlucht voor de regen, die met bakken naar beneden komt. Je kunt uit de hemel drinken. Het is dringen in de dampende stalling. Parapluwrakken op de grond, Dolly “Here we go again” Parton hard uit de speakers. Het is maandagochtend en ik ben doorweekt. Weinig om vrolijk van te worden. Toch ben ik het. Op het overdrevene af zelfs. “Waarom Dolly Parton?”, vraag ik. Hij kijkt me aan als een golden retriever die net een schop heeft gekregen en zegt met trillende bovenlip: “Me vrouw is bij me weggelopen.”

Trui

Op de vitrine met uitgestalde gerechten draait een ventilator. Aangenaam koel is het in de rechthoekige ruimte met de witte tegels, vergeleken met buiten. Zweet gutst van de weeromstuit van mijn rug. Ik duw mijn slippers uit om even de koude vloer te voelen, wachtend op de man voor me die moeite heeft met kiezen: viskoekjes met spicy noedels, Toscaanse kalfsgehaktballetjes met couscous, citroen-soya scharrelkip met saffraanbulghur en komkommer… “Doe die maar. Je moet wat toch? Ja, zo is het genoeg. Nee, geen tassie. Ik ga in me eentje de wereld redden, alleen niemand weet het nog. Doe wel een flessie wijn erbij, ja. Me oom zei altijd: elke dag drinken is ook een geregeld leven. Ja toch?” Zelf neem ik ook een flessie erbij en loop door de Westerstraat naar huis toe. De stoepen stromen over van het volk bij de Blaffende vis en het Monumentje. De sfeer: uitgelaten. Bier, eau de transpirer, sigarettenrook, geroezemoes. Aan de overkant daveren techno beats van een Frans balkon. In het kozijn, achter een bak petunia’s, danst een knuffelbeer van een vent – afrokapsel: “I am a deejay! Gimmie a euro!” De zon hangt op de grond en is verblindend. Ik loop bijna tegen een tandeloze Marokkaan op. Noorse trui, blote voeten. Hij staat met de ogen dicht en de knieën gebogen te kreunen alsof hij kakken moet. Het is eindelijk zomer.

Nat

De brug bij de Hortus is gesloten. Op zich niets bijzonders, maar je ziet dat het nu anders dan anders is. Wachtenden met elkaar in gesprek. Nieuwkomers die meteen bijgepraat worden. Een demonstratie van het begrip lopend vuurtje, in een sfeer van lome opwinding. Dat lome zal door de temperatuur komen: bijna zonsondergang, maar toch een graad of dertig. Mensen glanzend van het zweet. Natte plekken onder oksels, op ruggen. Dit is thuiskomen voor de tropische bomen in de Hortus. Terug naar hun wortels, zou je bijna zeggen. De hitte is ook de reden dat de slagbomen horizontaal liggen. De brug is uitgezet en kan open noch dicht. Het dek zit knel tussen de kade en steekt uit boven het wegdek. De brugwachter is met een brandslang in de weer en laat water in een hoge boog op het asfalt kletteren. Langzaam loopt het richting sandalen en slippers. De blijdschap van kinderen in een zwembad. Vakantiepret. Of iets dat daaraan herinnert tenminste. Als de brug een kwartier later nog geen krimp geeft, besluit de brugwachter dat we toch over mogen. Een aantal begint over de bomen te klimmen, anderen kruipen er onderdoor. Fietsen worden met vereende krachten opgetild. Iemand neemt zijn burgerzin erg serieus en wil per se twee vrouwen helpen die, leunend op hun omafiets, druk staan te kletsen zoals vrouwen dat kunnen. Ze dragen zomerjurkjes. Hij heeft duidelijk wat gedronken. “Laat ons maar”, zegt een van hen. “Ze heeft last van haar knieën.” En als hij daar geen genoegen mee neemt: “Laat ons man, we staan lekker hier.”

Open

Ineens is het er. Een geluid dat er vannacht nog niet was. Ik heb mijn handgemaakte, zo goed als nieuwe fiets in het rek gezet en ben gaan slapen. Nu rijd ik weg en hoor tik tik tik. Zacht, maar toch. Met tussenpozen van een halve seconde. Ik probeer de oorzaak te vinden, maar vind niets. Geratel in de buurt van de kettingkast. Nader tot een diagnose kom ik niet. De vergankelijkheid der dingen. Je kunt er un peu triste van worden, maar op een dag als deze niet. De wind herinnert nog aan de winter, maar de zon brengt de lente. Beloftes hangen in de lucht. Ik ben niet de enige die dit ziet. Als ik op zoek ga naar een terras zit alles stampvol. Eén zonnestraal en iedereen rent naar buiten. Toch vind ik even buiten het centrum een plek waar bijna niemand is. Een restaurant in een oude spoorbrug aan het IJ, met een hoog terras op wat men het bruggenhoofd noemt. Ik vraag om wijn en iets te eten alsjeblieft. Buiten de kaart is er pasta putanesca. Spaghetti van de hoeren, voegt de serveerster me, volgens de laatste horeca-etiquette op haar hurken, toe. De zoute ansjovis. Het zuur van de wijn. Pepers die smeulen in de mond. Ik bestel nog een glas en bereik de perfecte roes. De zon schijnt, het water schittert, de tijd verdwijnt. Op weg naar huis hangt over de stad een gouden gloed die alles en iedereen omfloerst. Ik zou me kunnen afvragen of ik gelukkig ben, maar ontwijk in plaats daarvan een kinderwagen. Alles valt op zijn plaats en zelfs het ratelen lijkt in de drukte op de grachten verdwenen. Dan hoor ik het weer.

Bloot

Hoe zou het zijn met Gümüs (de Turkse kleermaker uit de Pijp, die vanwege politiek geneuzel het land uit moest)? De gedachte komt bij me op als ik bij Küçük in de Jordaan een pak kom laten stomen. In de etalage liggen stapels sokken. Aardewerk schotels, een trouwfoto en een kitschprent van een waterval aan de muur. Küçük komt uit het naaiatelier vanachter het zijden gordijn de winkel binnen. Hij heeft dezelfde milde uitstraling als Gümüs die blijkbaar bij een kleermaker hoort. Snor als een kwast, half brilletje. De klant voor me wil een hemd laten inkorten. Küçük is een man van weinig Nederlandse woorden, maar het minzame knikje van zijn hoofd zegt genoeg: omkleden. Op zich geen punt, ware het niet dat het pashok bezet is. De klant aarzelt even, maar wisselt dan van hemd in de winkel. Küçük neemt hem de maat, haalt een speld van tussen zijn lippen en steekt deze voorzichtig in een vetrol. Net als hij het teken geeft dat hij klaar is, komt er nog iemand binnen. Een verlegen vrouw in een legerjas, ik schat haar achtentwintig. De klant kijkt naar het pashok, dat nog altijd bezet is (ik hoor iemand zachtjes neuriën), en naar Küçük, die de rekening aan het opmaken is. Dan gaat hij voor de vrouw staan en begint, wiegend met zijn heupen, langzaam zijn hemd los te knopen.

Truman

Op weg naar Silver Screen aan de Haarlemmerdijk. Voor films die u nergens anders ziet. Meer een excuus voor een wandeling dan een doel op zich. Soms heb je zin in een frisse neus, en het is er weer voor. Kraakheldere lucht die de longen laat tintelen. Ik adem uit. Ik adem in. Gewoon, maar toch… Een vrouw met een kroon van zilverpapier rookt een sigaret bij de kapper voor de deur. We kijken elkaar aan, een ogenblik, en volgen dan samen de jogger die passeert. Capuchon op het hoofd, handdoek in de nek en in beide handen een fles drank verpakt in cadeaupapier. De vrouw trapt haar peuk uit en haalt haar schouders op. Ik steek over. Alleen met duizenden films. Tot de eigenaar van de zaak toch nog entree maakt door een achterdeur. Hij lijkt op Philip Seymour Hoffman, in de rol van Truman Capote. Prima typecasting voor een verkoper van obscure films. We knikken en mompelen wat ter begroeting. Er komt nog iemand binnen. Ouwe bes, krassende stem: “As it is in heaven, heeft u die?” Truman knikt. “En kunt u hem aanbevelen?” Stilte. Dan volgt toch de bevestiging. Truman houdt zelf niet van tearjerkers, maar leeft zich in. Of wil gewoon verkopen. “Laat eens zien!” Ze zegt het alsof het een tattoo betreft op een intiem plekje. Eerst gaat de hoes keurend door haar handen, dan dringt ze aan op korting. Truman zucht en zwicht tenslotte. “Tasje erbij?” “Wat voor tasjes heeft u?” Truman houdt een exemplaar van zwart, glanzend plastic in de lucht. “Ach dat is nooit weg.” Als hij de film erin wil schuiven, zegt ze: “Laat u maar, gaat zo wel” en vertrekt met de film en het tasje dat nog opgevouwen is.