Dans

De vrouw in haar mantelpak is boos dat er geen bakkeljauw is. “We zouden te weinig verkopen vanwege de vakantie”, zegt de man van de toko. Het is stil in het metrostation onder het Weesperplein, op deze hete dag in augustus. De tourniquets van de perrons piepen maar zelden. Des te opvallender het paar dat in een inham van de hal, voor de glazen pui van de rijwielservice, een dans is begonnen. Grijze haren, zwarte kleding. Hij lomp met zijn ossenlijf. Zij ook niet soepel, maar wel de bouw van een danseres. Ze doen een stille tango in tl-licht. Misschien dat ze in gedachten de accordeon en violen van Piazzolla horen. Zoals gezegd: soepel oogt het niet, maar ze leggen alles in hun finale. Daarna blaast hij leunend op haar schouders uit – zijn hemd nat van het zweet – en gaan ze samen op de foto. Uit een rugzak wordt een fles water opgediept. Zij drinkt eerst en gooit dan een slok over hem heen. De volgende ontwijkend, zet hij het op een rennen. Voor zover het rennen is. Zij houdt met gestrekte arm de fles vast die hem achtervolgt richting uitgang. Zodra ze de trap nemen, verdwijnen ze uit het zicht.

Bui

Een stel komt in elkaars armen uit The Movies. Zoals Bob en Susan op de hoes van The Freewheelin’ Bob Dylan. Boven de ingang flikkert een lijst van lampen tegen een donkere lucht, die een tropische bui aankondigt. Druppels, dan een stortbad. Hij steekt een paraplu op en ze lopen de Haarlemmerdijk over, omvat door de regen die hun wereld terugbrengt tot een cilinder. Droog houden ze het desondanks niet. Hun schouders worden nat. Water springt op tegen haar enkels. Als ze niet schuilen zijn ze doorweekt voor de volgende hoek. Harlem is de eerste haven die ze tegenkomen. Ze zijn niet de enigen die hun toevlucht tot het café hebben genomen. Gasten onder de luifel, op de drempel, rond de tafels en de toog. De sfeer is opgetogen. Dat ze het goed hebben binnen, wordt benadrukt door wie buiten afziet. Een riksja die tegen de storm in fiets, gevolgd door een wapperende poncho. Toeval of niet: ze worden ontvangen met I’ve got sunshine on a cloudy day en het lijkt alsof de plek achterin voor hen vrijgehouden is. Wijn en bier komen op tafel, het nat wordt afgeschud. Ze haalt een hand door haar haren en zet het glas aan haar lippen, die net als haar decolleté en haar armen glanzen. Hij kijkt haar na als ze naar het toilet gaat. My girl komt uit de speakers.

Licht

De openingsscène is begonnen in zaal 4 van The Movies als een man, een oude gezien zijn kromme schaduwbeeld, met aplomb binnenkomt, gevolgd door een personeelslid dat hem met een zaklamp bijlicht. Dubbelop, want de oude man heeft net een eigen exemplaar tevoorschijn getrokken. Als hij merkt dat hij gevolgd wordt, draait hij zich om en vraagt: “Wat is het probleem?” “Geen probleem”, zegt het personeelslid, “ik wil u alleen helpen.” Met wapperende handen maakt de oude man duidelijk dat de hulp niet op prijs gesteld wordt. Het personeelslid verlaat de zaal, op zijn beurt pesterig bijgelicht, met een straal die alle kanten uitschiet, door de oude man, die vervolgens staand op de trappen de voorstelling volgt. Als we anderhalf uur later de bioscoop verlaten, moet ik wennen aan de wereld die in de baarmoederlijke zaal niet bestond. Overdag is die overgang het grootst, zeker op een verblindende dag als deze. Zodra mijn ogen het licht kunnen verdragen, wordt de werkelijkheid langzaam weer werkelijk. De Haarlemmerdijk, een mierenhoop: ik zie auto’s, scooters, fietsers en voetgangers door elkaar krioelen. Rechts een vrouw met ananas, links een man die “Doe toch eens normaal!” roept tegen zijn hond.

Goud

Zij is een-vijfenvijftig en rookt een sigaret met opgetrokken been leunend tegen de muur. Hij is twee meter zeven en gaat, bijna gezicht tegen gezicht, tegenover haar staan met zijn gympen maat zevenenveertig. Hij sluit zijn ogen, houdt zijn rechterhand horizontaal ter hoogte van zijn middenrif en beweegt deze met iedere in- en uitademing langzaam op en neer. Na een halve minuut stilte zegt hij staccato: “Mag ik u iets vragen?” “Ja hoor”, antwoordt zij meteen. Hij sluit zijn ogen en beweegt zijn hand weer op een neer. Adem in, adem uit. Net een meditatie-oefening. “Heeft u tijd om een paar vragen te beantwoorden?” Ze blaast witte rook de blauwe lucht in en knikt: “Ja, ga je gang.” Adem in, adem uit. Hij is alweer met zijn ritueel begonnen. Postuur van een basketballer, toch oogt hij kwetsbaar. “Ik volg een tiendaagse training tegen stotteren. Als ik dit volhou, spreek ik volgens onze leraar net als u.” Ze lacht bemoedigend en pakt even zijn pink beet. Na weer een halve minuut van pure concentratie, zegt hij iets dat ik niet goed versta. Zij ook niet. “Wat zeg je?” Hij lacht met een zucht. Weer opnieuw beginnen… Een halve minuut later: “Maar het kost wel veel moeite.” Ze lacht vertederd, hij lijkt zich een beetje te ontspannen. “Gaat lekker toch!” Na weer een halve minuut stilte: “Dank u voor het leuke compliment. Ik wens u nog een fijne dag.” “Jij ook. Je hebt een lieve lach.” Er lijkt wat op zijn lippen te liggen, maar dat slikt hij in. Zwijgen is nog goud voor hem. Met een verlegen lach en een aarzelende handbeweging neemt hij afscheid. Op het stationsplein draaien snippers cellofaan en papier in het rond.

Glas

Een koude, natte decemberdag. Op de brug van de Korte naar de Lange Niezel staat iemand doorweekt te worden. Sluik haar, mager postuur. Zijn blik is leeg, net als zijn spijkerbroek. Dat wil zeggen: geen vlees op de botten. Weggeteerd door drugs en alcohol. De laatste junk op wat eens, voor de schoonveegacties op de Wallen, de junkenbrug werd genoemd. In café Emmelot is het van de weeromstuit een bejaardensoos: dampend warm, beslagen ramen. Aan de toog een paar stamgasten. Ze krijgen drank van Balthazar en muziek van Hazes. In een hoek van de kroeg is een stel mannen aan het dobbelen. Het werpen gaat stroef door het Perzische kleed op tafel. De stenen rollen tussen bierviltjes en jeneverglazen. Wie verliest moet de drank betalen die ad fundum achterover wordt geslagen. Als na een rondje de geleegde glazen op tafel worden gezet, komt de junk van de brug wankel binnen rennen. Hij grist een glas van tafel, stopt het in zijn spijkerjack en roept: “Een warm bad is als een tweede moeder!” Voordat iemand kan reageren, is hij weer buiten, en als de dobbelaars door de beslagen ramen kijken, staat hij op de brug alsof er niets is gebeurd. Balthazar haalt een vaatdoek over de spoeltafel.

Ons

In de groentezaak aan de Korte Prinsengracht staat een rij van straat tot toonbank: Familie Labès – al vijftig jaar vers. Vader Toon begon de zaak, die nu door zijn zoons wordt gerund. De broers Labès; een knap, een lelijk. Op een drukke zaterdag als deze bijgestaan door echtgenotes en kinderen. Een joodse vrouw, lichaam als een dorre tak, grijs haar in een knotje, is aan de beurt. Ze wil een onsje cantharellen. “Een onsje cantharellen”, herhaalt de lelijke broer en schuifelt naar de paddenstoelen halverwege de winkel. “Een onsje cantharellen”, herhaalt hij nogmaals als hij terug is. Hij laat het onsje verdwijnen in haar geruite tas op wielen. “En een onsje oesterzwammen…” Hij schuifelt zijn heupen stuk en neuriet ondertussen Edelweiss uit The Sound of music. De joodse vrouw zegt: “Niets voor jou. Zo zoet.” De lelijke Labès haalt zijn schouders op: “Weet je hoe vaak ik ernaar heb moeten luisteren? Me vader heb die hersenbloeding gehad toch en wilde het toen elke dag horen.” Op de toonbank de blocnote waarop Labès de bestellingen noteert. Aan de muur een platenhoes van zijn overleden vader (Hallo, hallo, het groentemannetje van de radio) die zong op bruiloften en partijen. “Moet je weleens huilen als je de muziek hoort?” De lelijke Labès is even stil, slikt: “Nee, alleen als me vrouw meezingt.”

Koffie

Amsterdam druk? Niet op zondagochtend. De grachten zijn vrijwel verlaten. Koerende duiven, ruisende bladeren, verstild zonlicht. Tien uur: na een lange nacht ontwaakt de stad langzaam. Ook de klanten van ’t Smalle zijn nog niet helemaal wakker. Op het bankje naast de deur zit een hoogbejaarde met een enorme zonneklep over haar krant gebogen – de rozenstruiken boven haar hoofd al bijna uitgebloeid. Op het houten terras in de gracht een handvol anderen, zwijgend aan de koffie. Het geluid van kop en schotel is het enige dat je hoort. Totdat een opvallend stel aanschuift. Druk pratend, rokend. Tabaksgeur van het Midden-Oosten. Israëli’s, aan de gutturale keelklanken te horen. Hij bestelt een glas bier, zij na lang twijfelen een cappuccino. Als de serveerster terugkomt met de bestelling, vraagt hij wijzend op de kaart om Dutch breakfast. Twee vingers in de lucht. En of haar cappuccino kan worden ingeruild voor de koffie die bij het ontbijt is inbegrepen. Dat gaat niet, zegt de serveerster: “Ik heb ‘m al ingeschonken.” In plaats van dan? No sir, cappuccino is duurder. “I’ll pay extra for the damn milk!” De serveerster is al op weg naar binnen. Pissig pakt hij het speculaasje van het schoteltje en werpt het de gracht in.

Anne

In de rij voor Anne Frank. Niet voor het museum, maar voor haar standbeeld op het plein bij de Westerkerk. Stadsreiniging spuit de kasseien schoon, een man sleept de schilderijen die hij straks wil verkopen – Montmartrestijl – uit zijn Canta. Zondagochtend. De kramen voor vis en friet zijn dicht, voor Anne is het dringen. Een groep Italianen, Hella Haasse-achtige dames en veel Amerikaanse bejaarden op witte gympen. De meesten van hen komen net iets boven Anne uit, maar die staat op een sokkel van een meter. Eigenlijk is ze opvallend klein en tenger. Een Japans gezin komt uit de richting van de Rozengracht aangelopen. Zoon voorop als een hopman, met de stadsplattegrond in handen. Zijn tweelingzus volgt hem op de voet. Beiden ongeveer Anne’s lengte, als ze niet op die sokkel stond. Ingetogen lachend poseren ze aan weerskanten. Als ze alweer afscheid van haar hebben genomen, filmt de vader door. Van boven tot onder iets filmen dat stilstaat, het heeft iets tegenstrijdigs. Hij is nog bezig als een stel Engelsen zich rond het beeld groepeert. Opgewonden. Alsof ze met Katie Price of een ander model op de foto mogen. Armen rond haar schouders, gejoel. Een van de mannen pakt Anne bij haar bronzen borsten, die in het echt ook nooit zijn volgroeid.

Mutu

Bij de torso van Multatuli staat een vrouw gebogen over haar huurfiets. Man keurend ernaast. Toeristen, van verre aan hun Yellow bike te herkennen. Handig omdat je ze van tevoren kunt ontwijken, maar voor hen is het een brandmerk. Een beetje Amsterdammer heeft de pest aan hondenpoep, duiven en toeristen. Daarom probeer ik af en toe vriendelijk te wezen. Als ze ziet dat ik kijk, maakt ze een handgebaar. Geen perfecte wenk, maar het is duidelijk dat ze wat wil. Ik stap erop af en geef een hand, die zij beduusd beetneemt. Het jonge koppel is Roemeens, aan zijn t-shirt te zien. Het geel van de nationale ploeg: Mutu, nummer 10. Zij een strak hemdje en schouders die vervellen. Huidschilfers worden meegenomen door de straffe wind. Zelfs het bronzen haar van Multatuli waait, alleen in tegengestelde richting. Ze wijst naar haar achterwiel en lacht haar tongpiercing bloot, hij lijkt wat in de gracht te zoeken. Ik ben beducht op een lekke band of ander mankement, maar vind niets. Dan dringt tot me door wat ze bij herhaling in gebroken Engels probeert te zeggen. Licht? Ik knik richting voorwiel. Alle Roemeense clubs heten Dinamo, maar blijkbaar hebben ze nog nooit zo’n ding gezien. Ik druk mijn duim op het palletje en gehoorzaam springt de spoel tegen het wiel, dat ik optil en een zwiep geef. In haar ogen voltrekt zich een wonder en zelfs hij lijkt nu onder de indruk. Alsof het niets is activeer ik ook zijn verlichting. Wat volgt is een uitgebreid handen schudden en een golf dankbetuigingen, waarin ik alleen multumesc herken. De rest klinkt ook vriendelijk. Als er geen eind aan dreigt te komen, maak ik duidelijk dat het laat begint te worden. Ik duw haar nog even op gang en volg tevreden hun aftocht. Twee bruggen verder zwaait mijn Roemeense nog.

Sonny

Weinig wees erop dat het de avond van Sonny Fortune zou worden. Zoals hij daar zat, met lange tanden aan een bord spaghetti. Dood bier voor de neus, gedachten in de verte. Een afwezigheid die wordt benadrukt door de druk pratende bandleden die de tafel met hem delen. De best geklede saxofonist van het land, die hem heeft overgehaald tot dit optreden, legt een hand op de schouder van zijn legendarische vakbroeder. Tegenzin of fashionably late: de show begint een uur later dan aangekondigd. Al is beginnen misschien niet het juiste woord. Bij Sonny’s openingssolo sputtert zijn sax als een kapotte buitenboordmotor. Sonny tuurt in de hals, houdt het ding op z’n kop, schudt er eens mee, blaast erop en produceert slechts wat schor gereutel. Rustig begint hij het instrument uit en in elkaar te schroeven. Legendes laten zich niet door de tijd opjagen. Begeleid door kwinkslagen van de best geklede saxofonist lijkt het een sketch, met als voorlopige climax Sonny’s aftocht. Zijn in smoking gestoken gastheer volgt in gestrekte draf zonder zijn cool te verliezen. Piano, bas en drums spelen kabbelend door, lijn 26 glijdt voorbij volgens schema. Aan het voor jazz gemaakte weer ligt het niet. Vallende avond en vallende regen:  strepen op de pui, vervormde autolichten. Op een moment dat niemand er nog op rekent, keren ze terug : “I have to make an announcement: this is not my horn. But i will blow on it, because i’m supposed to blow here.” Met geleende sax blaast Sonny vervolgens – longen uit zijn lijf, wangen op springen – de solo van zijn leven.