Ni

Hij staart naar de katten die als mamushka’s voor het raam staan. Ze zwaaien met hun rechterpootjes en maken het geluid van ruitenwissers. De monotonie voert hem voorbij zijn gedachten tot een kreet vanachter het gordijn hem terugbrengt naar de menukaart in zijn schoot. Zijn vinger gaat langs de namen en houdt dan stil. Hij wijst naar een foto en kijkt omhoog. “Kaan, graag.” “Geen Kaan”, zegt de vrouw met een brede lach. “Wel Ni.” Hij knikt en volgt haar de gang in die wordt gevormd door aan weerszijden hangende gordijnen. Aan het eind ervan wacht Ni. Ze vouwt haar handen samen, maakt een buiging en verzoekt hem te volgen. “Clothes off”, zegt ze schuw. Hij neemt de kleine ruimte in zich op: de mat met het bloemenkussen op de grond, het palmenstrand aan de muur, het stopcontact dat uit de oceaan opduikt. Ni drukt op de pomp van een op een kruk rustende emmer, het soort waar in een snackbar mayonaise uit komt. Ze smeert de olie eerst uit over haar handen en dan op zijn rug. “You hurt?” Ni heeft weinig meer gedaan dan strelen. Hij draait zijn hoofd vragend om. “You hurt?” Heeft hij het toch goed gehoord. “No, i’m fine.” Terwijl hij het zegt, begrijpt hij wat ze bedoelt: het litteken dat rond zijn biceps loopt, als een rits waarmee je de onderarm kunt afdoen. Ni aait het litteken als was het een gewond huisdier. “I was hurt”, zegt hij en zucht. “But now i’m fine.”

Suzy

“Zoals ze me betastte, zó professioneel…” Van de gespreksflarden die langswaaien, blijft deze hangen – zoals een dwarrelend blad dat kan, aan een jas of een trui. De flarden komen van rechts, waar twee dames opgaan in hun worteltaart en hun gesprek. Het praten en gebaren, het schikken en opprikken van de taart: het gaat allemaal met de achteloosheid van jarenlange ervaring. Ze zijn dan ook al ruim voorbij de vijftig. En ze zijn leraressen Spaans, wordt me later duidelijk. De een draagt een roze zonnebril, de ander een blauwe. Ja, waarom niet? Zon overspoelt het terras van ’t Sluisje in Noord en de roze bril voert het hoogste woord over haar ervaringen op de Madrileense luchthaven. “Professioneel en menselijk tegelijk, was ze. Ik was zwaar onder de indruk. Zoals ze me betastte, overal hè. Zonder dat ik er naar van werd, zonder seksuele lading, zonder…” De blauwe bril kauwt op haar taart en knikt uitnodigend. De roze begint over Suzy, die laatst ook werd gefouilleerd en zich vervolgens helemaal uit moest kleden. “Suzy is heel wantrouwend. Dan roep je het af over jezelf.” Roze geeft Spaans, maar spreekt zalvend als een yogalerares. Ze is zen en heeft zelfs zonder haar bril een positieve kijk op dingen. “Weet je wat?”, vervolgt ze, “Ze keek me aan met van die donkere ogen en liet me gewoon doorlopen!” Blauw slikt een hap weg en zegt: “Ook wel weer jammer ergens.”

Jos

De zondagochtend is er voor wie die de stad voor zichzelf hebben wil. Zwijgende gevels, verlaten straten. Ook het weer respecteert de zondagsrust: het is windstil en mistig. De bomen van het Frederik Hendrikplantsoen zijn teruggebracht tot abstracte vegen. Mist. Het stemt tot nadenken, tot naar binnen- of achteromkijken, zo je wilt. Doordat je weinig vóór je ziet, is de meest voor de hand liggende verklaring. Ik denk aan de ochtenden dat ik rond deze tijd zelf nog in bed lag, de soms al schemerende nachten dat ik ernaar op weg was, en de vogels die dan kwetterden in het plantsoen. Druk en opgewonden, alsof het voor hen ook een uitgaansnacht betrof. Het was jarenlang het geluid waarmee ik thuiskwam en heel soms is er nog zo’n nacht van uit- en door het plantsoen naar huis gaan, maar gekwetter hoor ik niet meer. Niet het minste vogelgeluid. Nu ook niet trouwens. Een raadsel dat ook tot nadenken stemt, al is het niet lang, want wat moet je ervan denken? Mijn blik dwaalt af naar de panden aan de rand van het plantsoen, waar op nummer 49 een man het balkon opkomt, zijn gewrichten roestig van tachtig jaar mistige dagen als deze. “Hé Jos, hoe is het?” De bovenbuurman, vanaf zijn balkon. Jos denkt dat de stem van beneden komt en buigt zich over de reling: niemand. Ook niet als hij dieper buigt. Als hij tenslotte naar boven kijkt, is de buurman alweer verdwenen. Jos doet hetzelfde, zijn lichaam van opzij een vraagteken.

Dans

De vrouw in haar mantelpak is boos dat er geen bakkeljauw is. “We zouden te weinig verkopen vanwege de vakantie”, zegt de man van de toko. Het is stil in het metrostation onder het Weesperplein, op deze hete dag in augustus. De tourniquets van de perrons piepen maar zelden. Des te opvallender het paar dat in een inham van de hal, voor de glazen pui van de rijwielservice, een dans is begonnen. Grijze haren, zwarte kleding. Hij lomp met zijn ossenlijf. Zij ook niet soepel, maar wel de bouw van een danseres. Ze doen een stille tango in tl-licht. Misschien dat ze in gedachten de accordeon en violen van Piazzolla horen. Zoals gezegd: soepel oogt het niet, maar ze leggen alles in hun finale. Daarna blaast hij leunend op haar schouders uit – zijn hemd nat van het zweet – en gaan ze samen op de foto. Uit een rugzak wordt een fles water opgediept. Zij drinkt eerst en gooit dan een slok over hem heen. De volgende ontwijkend, zet hij het op een rennen. Voor zover het rennen is. Zij houdt met gestrekte arm de fles vast die hem achtervolgt richting uitgang. Zodra ze de trap nemen, verdwijnen ze uit het zicht.

Bui

Een stel komt in elkaars armen uit The Movies. Zoals Bob en Susan op de hoes van The Freewheelin’ Bob Dylan. Boven de ingang flikkert een lijst van lampen tegen een donkere lucht, die een tropische bui aankondigt. Druppels, dan een stortbad. Hij steekt een paraplu op en ze lopen de Haarlemmerdijk over, omvat door de regen die hun wereld terugbrengt tot een cilinder. Droog houden ze het desondanks niet. Hun schouders worden nat. Water springt op tegen haar enkels. Als ze niet schuilen zijn ze doorweekt voor de volgende hoek. Harlem is de eerste haven die ze tegenkomen. Ze zijn niet de enigen die hun toevlucht tot het café hebben genomen. Gasten onder de luifel, op de drempel, rond de tafels en de toog. De sfeer is opgetogen. Dat ze het goed hebben binnen, wordt benadrukt door wie buiten afziet. Een riksja die tegen de storm in fiets, gevolgd door een wapperende poncho. Toeval of niet: ze worden ontvangen met I’ve got sunshine on a cloudy day en het lijkt alsof de plek achterin voor hen vrijgehouden is. Wijn en bier komen op tafel, het nat wordt afgeschud. Ze haalt een hand door haar haren en zet het glas aan haar lippen, die net als haar decolleté en haar armen glanzen. Hij kijkt haar na als ze naar het toilet gaat. My girl komt uit de speakers.

Trouw

Zo’n uitspraak waarbij je een tekening voor je ziet van Peter van Straaten. Bij café Welling afkomstig van een man, in antwoord op de verwijten van zijn echtgenote: “Ik heb gewoon tijd voor mezelf nodig.” Een vermoeide blik, gezet met enkele pennenstreken. Zij: “Dat begrijp ik, dat heb ik ook, maar niet als we samen aan tafel zitten.” Hij staart in de verte. Zij eerst naar hem en dan in haar whisky. Een grijzend echtpaar dat op elkaar is uitgekeken. “Accepteer dat ik soms niet aan het gesprek deelneem. Dat is toch niet zo erg?” Zij: “Wel als je met je rug naar me toe gaat zitten.” Ze laat een stilte vallen. “Om andere vrouwen te bewonderen.” Hij, zuchtend: “Dat ik niet mag genieten van wat voorbijkomt, daar heb ik moeite mee. Heel veel moeite.” Door het gordijn voor de deur komt een donkere vrouw in een korte zwarte jurk binnen. De man zit met zijn rug naar haar toe, maar ik denk dat hij dit bedoelt met genieten. Terwijl zijn vrouw zich ditmaal blijvend in stilte hult, bestelt hij de rekening en vraagt: “Zijn we wat dichter tot elkaar gekomen?”

Tram

Jaren in de buurt gewoond en eraan voorbijgelopen. Kijkend met de ogen van een toerist, komend van de andere kant van de stad, viel de doorgang onder het Haarlemmermeerstation me wel op. Erachter school een rafelrand met hangars, keten en schuren, omgeven door autowrakken, blote buiken en bankstellen. Een haan kraaide op een roestig bord met de tekst: Aanraken der draden levensgevaarlijk! Waarschuwing voor de bovenleiding van de tram, die halverwege de Oude smitgracht bij de halte stond. Lakhouten carrosserie uit de tijden van De Avonden. De ramen werden gelapt door een man in overall, een spons verdween in een zinken emmer. Op de treeplank keek een conducteur toe die ontsnapt was uit een zwart-wit fotoboek. Scherpe scheiding in haar en pantalon, in de rechterhand een dienstkoffer. Met een Polygoonstem informeerde hij of ik wilde meerijden en een plaatsbewijs bezat. Hij lachte meewarig toen ik een chipkaart tevoorschijn haalde. Toch mocht ik als enige passagier mee met lijn 30, die jankend richting Amstelveen vertrok. Ik heb de Oude smitgracht, die op de stadskaart niet bestaat, daarna vaker bezocht. Het gras woekerde gestaag tussen de rails, alles was bij het oude, maar de conducteur en lijn 30 zag ik niet.

Simon

’s Ochtends in het Vondelpark wijst weinig op de oranje vloedgolf die de stad zal gaan overspoelen. De wedstrijd is even ver weg als voor iemand op Bali of de Galapagos. Lavendel, turkoois, goudgeel, olijfgroen: jurkjes in alle kleuren komen voorbij, behalve die ene. Half slapend onder een boom hoor ik iemand España, España roepen. Geen droom, maar een kogelronde man die rondrijdt op een wrak van een fiets. Later wat tumult rond de bank waar zwervers en dronkenmannen samenscholen. Een zet een karatetrap á la Van Gaal in, maar mist zijn tegenstander volledig en landt met zijn rug in het grind. Vervolgens is het weer just another day in the park tot een paar uur voor de wedstrijd. ’s Nachts, als het oranje langzaam is weggeëbd, rijd ik na een memorabele overwinning weer door het park naar huis en passeer twee laveloze, benevelde types, die aan weerskanten van het pad zitten, schuine streep liggen. De een roept met Spaanse tongval Madríd, Madríd, Madríd! De ander gaat er tegenin met: Dirk van den Broek, Dirk van den Broek! En net als de een weer Madríd aanheft: Simon de Wit!

Licht

De openingsscène is begonnen in zaal 4 van The Movies als een man, een oude gezien zijn kromme schaduwbeeld, met aplomb binnenkomt, gevolgd door een personeelslid dat hem met een zaklamp bijlicht. Dubbelop, want de oude man heeft net een eigen exemplaar tevoorschijn getrokken. Als hij merkt dat hij gevolgd wordt, draait hij zich om en vraagt: “Wat is het probleem?” “Geen probleem”, zegt het personeelslid, “ik wil u alleen helpen.” Met wapperende handen maakt de oude man duidelijk dat de hulp niet op prijs gesteld wordt. Het personeelslid verlaat de zaal, op zijn beurt pesterig bijgelicht, met een straal die alle kanten uitschiet, door de oude man, die vervolgens staand op de trappen de voorstelling volgt. Als we anderhalf uur later de bioscoop verlaten, moet ik wennen aan de wereld die in de baarmoederlijke zaal niet bestond. Overdag is die overgang het grootst, zeker op een verblindende dag als deze. Zodra mijn ogen het licht kunnen verdragen, wordt de werkelijkheid langzaam weer werkelijk. De Haarlemmerdijk, een mierenhoop: ik zie auto’s, scooters, fietsers en voetgangers door elkaar krioelen. Rechts een vrouw met ananas, links een man die “Doe toch eens normaal!” roept tegen zijn hond.

Kous

Ik zie vanuit een ooghoek dat hij tegenover haar gaat zitten. Te dichtbij voor een vreemde, waardoor ik even denk dat ze bij elkaar horen. Ze zouden oma en kleinzoon kunnen zijn wat leeftijd betreft, maar ze verschillen als dag en nacht wat betreft kleding en uiterlijk. Zij koket met gepommadeerd haar, parelsnoer en kokerrok. Hij onfris met zijn wijde blouse, wilde blik en plakhaar. Terwijl de conducteur de tram binnenkomt, die bij de beginhalte van het Amstelstation op hem staat te wachten, schuift de puber nog wat dichterbij totdat zijn knieën die van haar kussen. Hij kijkt haar indringend aan, zij kijkt de andere kant op. Met andere passagiers probeer ik in te schatten of ze hulp nodig heeft, maar ze lijkt niet onder de indruk. “Mooie kousen”, zegt hij dan tegen haar en volgt met zijn hand op tien centimeter de lijn van haar kuit tot haar enkels. Zijn wilde blik roept herinneringen op aan de Vieze man van Kees van Kooten. Als ze niet reageert, staat hij op en springt nog net uit de tram voordat deze vertrekt.